Posted: 08 Jun. 2021

Fiscale plannen van de EU

Antiliaans Dagblad 29 Mei 2021

Onlangs berichtte deze krant dat in Curaçao een vertegenwoordiging tot stand is gebracht van de EU. Dat is een mooie ontwikkeling, vooral ook omdat dit wellicht meer mogelijkheden gaat bieden om profijt te hebben van bijvoorbeeld financiële middelen van de EU. Het betekent echter ook dat het belang van de EU in algemene zin voor Curaçao groter wordt en de betrokkenheid wordt geïntensiveerd. In dit kader past stellig ook de discussie of Curaçao en de andere Caribische gebieden van het Koninkrijk de status van LGO moeten continueren of naar een UPG-status moeten streven. Die discussie – hoe interessant ook – laat ik hier onbesproken. Ik merk wel op dat een UPG-status veel ‘bemoeizucht’ van de EU en haar instellingen oplevert en het is wat mij betreft zeer de vraag of Curaçao daarbij gebaat is.

Hoe dan ook is het met het bovenstaande initiatief ook relevant kennis te nemen wat voor plannen de EU heeft op fiscaal terrein. Zeer onlangs heeft de Europese Commissie (EC) een zogenoemde Mededeling gepubliceerd waarin een aantal voornemens is uiteengezet ten aanzien van fiscale ontwikkelingen die in gang worden gezet. Dat betreft een vrij ambitieus programma waarvan het overigens ook de vraag is of dat allemaal wel haalbaar is. Vele lidstaten – waaronder ook Nederland – zijn niet zo gecharmeerd van de invloed van de EU op hun fiscale regels. Ze blijven wat dat betreft liever soeverein. Alleen waar het om het bestrijden van oneigenlijk gebruik van fiscale stelsels gaat, kunnen de lidstaten zich doorgaans wel vinden in de voorstellen van de EC. Het wijzigen en invoeren van allerlei fiscale regels is overigens ook bepaald geen sinecure: er geldt binnen de EU nog steeds de regel dat nieuwe fiscale regels of wijziging van regels alleen met unanimiteit mogelijk is.
Wat daarvan zij, in de Mededeling doet de EC vijf voorstellen voor aanpassingen van fiscale regelgeving. In de eerste plaats wordt voorgesteld dat de effectieve belastingdruk van individuele multinationals worden gepubliceerd. Dit sluit enerzijds aan op het bestaande voorstel voor een public country-by-country reporting en anderzijds bij het voorstel van de OESO te komen tot een minimumniveau van belastingheffing, te weten het Pillar 2 plan. Dit voorstel van de EC zal behoorlijk wat voeten in de aarde hebben: er bestaat stellig veel weerstand tegen en het is daarnaast ook niet eenvoudig uitvoerbaar. Het berekenen van de effectieve belastingdruk is een complexe en arbitraire aangelegenheid.

Het tweede voorstel van de EC borduurt voort op de al lange tijd ingezette tendens een einde te maken aan brievenbusvennootschappen (‘shell-companies’). Men wil een einde maken aan allerlei zogenoemde doorstroomstructuren waarbij in feite alleen maar vennootschappen worden tussengeschakeld die inhoudelijk weinig doen maar wel tot een lagere belastindruk leiden. Hier bestaat overigens al veel regelgeving voor en bovendien wijst bijvoorbeeld rechtspraak van het Hof van Justitie erop dat met dergelijke entiteiten geen rekening wordt gehouden. Ze worden in feite genegeerd voor fiscale doeleinden. Vraag is daarbij wel wanneer nu precies sprake is van dergelijke entiteiten. De EC wil dat met name stroomlijnen.

Het derde plan behelst een regeling die verliescompensatieregels tussen de lidstaten min of meer moet uniformeren. Ik acht dit voorstel in elk geval niet erg kansrijk want het staat in feite los van grensoverschrijdende activiteiten en grijpt rechtsreeks in, in de nationale fiscale wetgevingen. Daar voelen lidstaten weinig voor.

Interessanter is, zonder twijfel, het vierde voorstel: het gaat daarbij in feite om een meer gelijke fiscale behandeling van vreemd en eigen vermogen. De vergoeding op vreemd vermogen, rente, is voor bedrijven fiscaal in de regel aftrekbaar. De vergoeding op eigen vermogen – dividend – doorgaans niet. Dat betekent dus dat bedrijven vooral opteren voor financiering met vreemd vermogen. Dat is om diverse redenen onwenselijk; denk aan de risico’s door een te laag buffervermogen. De EC wil daarom toe naar een systeem waarbij er een vermindering van de winst wordt toegekend die gekoppeld is aan het eigen vermogen: een soortvermogensaftrek ook wel aan geduid als een allowance for corporate equity (ace). Sommige landen kennen een dergelijk systeem al. Een belangrijk nadeel is dat het budgettair erg kostbaar voor de overheden kan zijn. Het is, mijns inziens, verstandiger om juist aan de kant van het vreemd vermogen iets te doen ofwel de aftrek van rente (verder) te beperken of een combinatie van beide systemen (allowance for corporate capital).


Tot slot heeft de EC de zogenoemde CCCTB weer van stal gehaald. De CCCTB ziet op een uniform winstbepalingsstelsel binnen de EU waarna de winsten door middel van factoren (formula apportionment) aan de lidstaten worden toegerekend en aldaar worden belast. De tarieven blijven dan bepaald op het niveau van elk van de lidstaten. Voor de CCCTB waren lidstaten tot nu toe niet erg enthousiast dus het is maar zeer de vraag of dit nieuwe voorstel beter wordt ontvangen. Het bevat enkele vooral technische aanpassingen. Een belangrijk element is echter dat het zich veel meer toespitst op de belastingheffing van internationaal digitaal opererende ondernemingen. Dat is een belangrijke issue, omdat het nog steeds lastig is deze bedrijven op een adequate wijze in de heffing te betrekken. De EU en ook de OESO zijn daar al lange tijd mee in de weer, maar tot een oplossing is het nog steeds niet gekomen. Dit voorstel moet hier mogelijk een zetje aan geven.


Concluderend: het zijn alle ingrijpende voorstellen. De haalbaarheid wordt nog een behoorlijk lastig punt. Maar als dat lukt dan zal de reikwijdte stellig breder zijn dan alleen voor de lidstaten van de EU en zeker ook relevant zijn voor gebieden die als UPG kwalificeren, maar het is zeer wel mogelijk dat ook LGO’s hier in meer of mindere mate mee te maken krijgen.

Author

Peter Kavelaars

Peter Kavelaars

Hoogleraar Fiscale Economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en of councel bij Deloitte.