Posted: 26 Jun. 2021

Kogel door de kerk

Antiliaans Dagblad 17 Juli 2021

Het kan snel gaan: Trump is nog maar net weg en wereldwijd is besloten tot het invoeren van een minimum winstbelastingtarief van 15%. Met dank aan Biden. Trump was altijd een fel tegenstander van een dergelijk minimumtarief omdat dit Amerikaanse bedrijven fors zou raken, maar de huidige president ziet dat duidelijk anders. Althans neemt zijn verantwoordelijkheid en heeft ingestemd met een minimumtarief. Aanvankelijk zat hij zelfs op 21% maar dat vonden kennelijk veel landen te gortig zodat het minimum tarief op 15% is uitgekomen. Dat tarief is kennelijk voor veel landen – maar liefst 130 landen hebben zich er tot nu toe achter geschaard – aanvaardbaar. Het levert ook wel wat op. In de eerste plaats wordt het ontwijken van belastingen een fors stuk lastiger. In de tweede plaats zou het jaarlijks circa € 125 mld. extra winstbelasting moeten opleveren. Ruwweg en gemiddeld dus een miljard per land. Of dat ook daadwerkelijk het geval is, valt overigens nog te bezien. Het bedrag is gebaseerd op vele veronderstellingen en kan gemakkelijk vele tientallen miljarden hoger of lager liggen. Verder zijn er dan nog de niet-coöperatieve landen, zo’n 70 in getal. Een behoorlijk deel dus maar dat is niet verontrustend. In de eerste plaats zijn er ongetwijfeld landen die in de nabije toekomst zich alsnog aansluiten. Daarnaast zijn er redelijk wat landen die niet erg relevant zijn, omdat buitenlanders daar vanwege het politieke klimaat niet investeren of beleggen. Tot slot zijn er nog landen waar de politieke druk op zal worden opgevoerd door te dreigen hen op een grijze of zwarte lijst te plaatsen. Daar zit geen land op te wachten. Overigens zijn er in de EU maar liefst vier dwarsliggers: Hongarije, Ierland, Estland en Cyprus. Ik verwacht echter dat die nog wel ‘om gaan’.


Wat houdt de deal nu precies in? In de eerste plaats maakt de afspraak deel uit van de door de OESO ontwikkelde pillars 1 en 2 van BEPS 2.0. Pillar 1 voorziet, kort gezegd, in het deels verschuiven van de heffing van winstbelasting van productielanden naar markt- of afzetlanden. Deze operatie staat min of meer los van de 15%-deal en richt zich vooral op een evenwichtiger belastingheffing van digitale ondernemingen (Google, Amazon, Bol.com etc.). Voorwaarde voor de toepassing van pillar 1 is overigens dat de wereldwijde omzet van een bedrijf minimaal € 20 mld. bedraagt. Pillar 2 staat echter volledig in het teken van het minimum winstbelastingtarief. Ook hier geldt een minimale omzetdrempel voor het concern maar die ligt aanzienlijk lager: een wereldwijde omzet van ten minste € 750 mln.


Het gaat bij pillar 2 om complexe regels waarbij wetgevingen van landen op elkaar ingrijpen. In de eerste plaats is het zaak zich te realiseren dat het minimumtarief geen statutair tarief is maar de effectieve druk ofwel de combinatie van het wettelijke tarief en de grondslag waarover de winst wordt berekend. Hoe smaller de grondslag, hoe hoger het statutaire tarief moet zijn. Het vaststellen van het effectieve tarief is een ingewikkelde aangelegenheid. Daarover moeten nog knopen worden doorgehakt. Denk bijvoorbeeld aan bepaalde tarieffaciliteiten, vrijstellingen en de vraag of het gaat om de totale belastingdruk voor de onderneming of bepaalde winsten van die onderneming.
De volgende stap is dan dat een land een dergelijk minimum effectief tarief toepast. Het wordt daar echter niet toe verplicht. Maar als een land een lager tarief hanteert en de winst die volgens dat tarief wordt belast gaat naar bijvoorbeeld een moedervennootschap in een ander land dan moet dat andere land in elk geval bijheffen tot 15%. Hetzelfde geldt in de verhouding tussen hoofdhuis en haar vaste inrichting. Dit vergt zowel aanpassingen van het nationale recht van landen, als aanpassing van verdragen. Bij het voorgaande moet verder worden bedacht dat het niet alleen gaat om bedrijfswinst, maar ook om interest en royalty’s. Daarnaast moeten ook zogenoemde bronlanden maatregelen treffen: als interest, royalty’s en dividenden een land verlaten in het land van ontvangst een te lage belastingruk bestaat, dient de bronstaat een minimale bronheffing toe te passen. Als alternatief kan men er ook voor opteren om dergelijke betalingen van aftrek van de winst uit te sluiten.


Hoe nu verder? De OESO moet eerst een aantal meer technische punten uitwerken. Daarnaast wordt geprobeerd meer landen over de streep te trekken. Vervolgens zal naar valt aan te nemen een multilateraal instrument worden ontwikkeld waarmee belastingverdragen in een keer worden aangepast en wordt het OESO-modelverdrag daarop gewijzigd. De EU zal de regels in een richtlijn opnemen die dan door alle lidstaten moet worden geïmplementeerd in de nationale wetgeving. De overige landen moeten dat op eigen initiatief doen. Dat zal stellig ook gelden voor Curaçao en Aruba (St. Maarten behoort niet tot de groep van 130 landen). Een interessant probleem betreft volgens mij de fiscale regelgeving op de BES: daar ontbreekt immers een winstbelasting dus het heffen van 15% is onmogelijk. Ik zie niet in hoe de opbrengstbelasting en de vastgoedbelasting die, strikt genomen, de plaats hebben ingenomen van de afgeschafte winstbelasting, die rol kunnen behouden. Ik voorzie daarom de herinvoering van de winstbelasting op de BES. Ik heb daar overigens al eens eerder voor gepleit. 


Al met al is dit een zeer omvangrijke operatie die tot veel wetgeving leidt. Deze wetgeving is bepaald complex. Vereenvoudiging is dan ook niet iets wat men ervan behoeft te verwachten. 

Author

Peter Kavelaars

Peter Kavelaars

Hoogleraar Fiscale Economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en of councel bij Deloitte.