Posted: 28 Dec. 2021

Exit box 3?

Antiliaans Dagblad 01 januari 2022

De Hoge Raad heeft de dag voor Kerst een uiterst belangrijk arrest gewezen over de toepassing van box 3 in de Nederlandse inkomstenbelasting. Het arrest zorgt ongetwijfeld voor veel hoofdbrekens bij het ministerie van Financiën. De problematiek waar het om gaat zal ook op Curaçao voor velen niet onbekend zijn, maar zekerheidshalve eerst nog maar de kern van het probleem. Tot en met 2001 kende Nederland een heffing over vermogensinkomsten dat zo lek was als een mandje en door vele reparatiewetgeving bovendien heel complex: kort gezegd werden bij portfoliobeleggers vermogensinkomsten als dividend en rente progressief belast en bleven vermogensmutaties onbelast. Dat leidde uiteraard tot allerlei verstoringen. De toenmalige fiscale bewindsman Willem Vermeend maakte hier een einde aan door de invoering van de vermogensrendementsheffing. Niet de reële inkomsten worden sindsdien belast maar een forfaitair rendement van 4% over de waarde van het vermogen bij de aanvang van het jaar. In feite een soort vermogensbelasting. Vermeend duidde dit als een robuust stelsel dat bestendig was voor de 21e eeuw. Die bestendigheid blijkt echter tegen te vallen: de Hoge Raad heeft al eerder aangegeven dat deze box 3 heffing bij de duurzame lage rendementen op met name spaarvermogen in strijd is met het recht op eigendom zoals geformuleerd in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Strikt genomen kan dan de heffing helemaal niet meer plaatsvinden maar dat vond de Hoge Raad toen een stap te ver: het is aan de wetgever het stelsel aan te passen en hoewel de belastingplichtige in die zaak dus gelijk kreeg leverde het hem geen vermindering van de aanslag op. Behoorlijk zuur dus.

De bovenstaande procedure betrof de jaren 2015 en 2016. De wetgever voelde de bui al hangen en heeft de box 3 heffing ingaande 2017 enigszins aangepast: het fictief rendement neemt sindsdien toe naarmate het vermogen hoger is. De gedachte daarachter is dat naarmate een belastingplichtige meer vermogen heeft hij risicovoller belegt en daarmee het rendement normaliter hoger is. Daarmee zou het fictief rendement beter aansluiten bij het reële rendement en was er – aldus de wetgever – geen reden meer te vrezen dat sprake zou zijn van strijd met het EVRM.

Het zal niet verbazen dat belastingplichtigen dat in de meeste gevallen anders zagen en doorprocedeerden. Iemand die risicoavers is en zijn gehele vermogen op een spaarrekening heeft staan ontvangt geen, weinig of inmiddels zelfs negatieve rente en wordt bij een hoger vermogen zelfs nog zwaarder belast dan voorheen omdat het hoogste fictieve rendement ruim boven de 5,0% ligt. Het recente arrest heeft op deze situatie betrekking. De wetgever gaat er onder het huidige systeem zoals gezegd vanuit dat naarmate meer vermogen beschikbaar is risicovoller wordt belegd. Hij gaat daarbij uit van een vermogensmix die bij toenemend vermogen uitgaat van een steeds kleiner spaardeel. Bij de belastingplichtige waar het in de nu besliste zaak over ging waren de cijfers ongeveer als volgt: hij beschikte over een vermogen van circa € 1 mln. dat voor 80% risicovrij was belegd. De wetgever gaat er voor het grootste deel van dit vermogen vanuit dat slechts 21% risicovrij wordt belegd. Voor zover een vermogen hoger is dan € 1 mln. veronderstelt de wetgever zelfs dat geheel geen sprake is van spaargeld maar alleen beleggingen. Het gevolg voor deze belastingplichtige was dat hij zowel in 2017 als in 2018 ongeveer € 12 000 aan box 3 heffing was verschuldigd. Zijn reële vermogensinkomsten waren in deze jaren ongeveer € 6 500, resp. € 3 500. Over 2017 betaalde hij dus ongeveer tweemaal zoveel belasting als hij aan vermogensinkomsten genoot en in 2018 was dat zelfs meer dan driemaal zoveel.
De Hoge Raad vindt dit allemaal in strijd met het EVRM. Dat is op zich natuurlijk al opmerkelijk omdat de wetgever dacht dat de strijdigheid onder het sinds 2017 geldende stelsel juist beter was dan de heffing op basis van 4%- zoals tot en met 2016 het geval was. Vervolgens gaat de Hoge Raad deze keer wel een stap verder: hij beslist dat voor de berekening van de box 3 heffing uit dient te worden gegaan van het reële rendement ofwel de bedragen van € 6 500 en € 3 500. Hij past hier nog wel een correctie op toe omdat niet het hele vermogen uit spaargeld bestaat. Vervolgens worden die bedragen onderworpen aan het box 3 tarief van 31%.

De wetgever staat nu voor een enorm dilemma. In de eerste plaats zijn er zeer veel zaken bij de rechter aanhangig over deze problematiek, de zogenoemde massaal bezwaarprocedure. Veel van die belanghebbenden zullen nu ook gelijk moeten krijgen hetgeen uiteraard een forse derving van belastingopbrengsten oplevert. Dat geldt nog temeer daar dit uiteraard ook het geval is voor de jaren nadien: het stelsel is nog steeds ongewijzigd. De wetgever heeft aangekondigd pas ingaande 2025 over te willen stappen naar een heffing op basis van reëel rendement. Het ziet er echter naar uit dat men dit proces aanzienlijk moet versnellen. Kortom: wordt vervolgd.

Author

Peter Kavelaars

Peter Kavelaars

Hoogleraar Fiscale Economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en of councel bij Deloitte.