Perspectives

Digitaal belasten

Antiliaans Dagblad 27 Maart 2021

Het blijkt niet eenvoudig te zijn de winstbelastingheffing over digitale diensten e.d. vorm te geven. Het gaat dan om de diensten of goederen die elektronisch worden afgenomen. Kortom de bestellingen bij Google, Alibaba, Amazaon etc. Het probleem onder de huidige fiscale wetgeving is met name dat in de landen waar de goederen en diensten worden geleverd de bedrijven veelal geen vestiging hebben. Het is dan binnen de traditionele economie en het huidige systeem van belastingheffing hoegenaamd onmogelijk de winst van dergelijke elektronische transacties in het land waar de goederen en diensten uiteindelijk worden afgenomen te belasten. In oude tijden had het concern in zo’n staat een winkel, een fabriek of een andere fysieke aanwezigheid en kan de staat waar zich dergelijke vestigingen bevinden betrekkelijk eenvoudig heffen over de winst die aan zo’n vestiging is toe te rekenen. Maar tijden veranderen snel en we zien dat zonder een vestiging in een land van de afnemer dit land geen belasting kan heffen.

De OESO heeft al jaren geleden de ‘oplossing’ bedacht: in de afzetstaat word een zogenoemde fictieve vaste inrichting aanwezig geacht indien in die staat een bepaalde minimale omzet wordt behaald. De staat waar de fictieve vaste inrichting is gelegen, mag daarover dan winstbelasting heffen. Los van allerlei fiscale complicaties, stuitte dit plan op veel weerstand met name vanuit de VS; maar ook diverse andere landen zagen dit niet erg zitten. De discussie in de OESO over deze oplossing is voorlopig in een padstelling terecht gekomen hoewel men hoop heeft dat er deze zomer een compromis wordt bereikt. Ondertussen heeft de EU aangegeven het plan voor een fictieve vaste inrichting te ondersteunen. Tegelijkertijd concludeerde de EU dat het nog wel even kan duren alvorens de OESO tot een voor ieder aanvaardbare oplossing is gekomen en de inwerkingtreding daarvan. De EU stelde daarom een zogenoemde digital service tax (dst) voor, zij als overgangsregeling tot het moment dat de fictieve vaste inrichting kan worden ingevoerd. De dst is in feite een omzetbelasting: er wordt een bepaald percentage – tussen 3% en 5% – geheven over de digitale omzet in een land. Deze tussenoplossing riep bij diverse lidstaten van de EU evenwel al direct enorme weerstand op. Om deze Europese dst buiten boord te houden, zijn diverse lidstaten echter wel een eigen soort van dst gaan invoeren. Enerzijds om daadwerkelijk te kunnen belasten maar deels ongetwijfeld ook om ervoor te zorgen dat de EU geen dst invoert. Immers, als al veel landen een eigen dst hebben, is het moeilijk een EU-brede dst in te voeren. Landen zien niets in een EU-brede heffing, omdat ze dan hun beslissingsmacht over een dergelijke belasting kwijt zijn. Die ligt dan immers bij de EU.

Tot zover de huidige ontwikkelingen. Het is de bedoeling van met name de OESO dat er deze zomer een compromis wordt bereikt over het systeem van de fictieve vaste inrichting maar of dat lukt is nog steeds twijfelachtig. Interessant is
nu dat zich afgelopen najaar een geheel nieuwe variant is opgedoken en wel een die is ontwikkeld door de Verenigde Naties (VN). De VN willen de heffing via
een verdragsbepaling toevoegen aan VN-belastingmodelverdrag die vergelijkbaar is met de artikelen ten aanzien van dividend en interest. Het gaat om een nieuw artikel 12B. In dit artikel is in eerste instantie de hoofdregel dat de
woonstaat van de onderneming die de elektronische goederen en diensten levert heffingsbevoegd is over de daarmee behaalde winst. Vervolgens komt dan de crux van de heffing in beeld: de andere staat – waar de goederen e.d. worden geleverd – is gerechtigd op de betalingen van de afnemers van die goederen die in die staat zijn gevestigd een bronstaatheffing toe te passen op betalingen die worden gedaan aan de leverancier. Kort gezegd: als een inwoner van Curaçao langs elektronische weg een boek koopt bij Amazon, dan heeft Curaçao het recht op de betaling door de in Curaçao wonende afnemer een belasting te heffen die dan wel is gemaximeerd tot op 3 tot 4% van het te betalen bedrag. Deze maximering moet in het verdrag zijn vastgelegd. In dit voorbeeld moet Curaçao dan uiteraard wel een dergelijke belasting invoeren. De belasting is overigens bij de leverancier – in het voorbeeld Amazon – niet verrekenbaar met de door haar in de woonstaat te betalen belasting. Het gaat dus in feite om een zogenoemde eindheffing. Omdat dit systeem in de staat waar de afnemer woont uitvoeringstechnisch nogal bewerkelijk kan zijn, biedt het voorgestelde artikel 12B de mogelijkheid dat de leveranciers zich in de staat van de afnemer – in mijn voorbeeld dus Curaçao – registreren en dat Curaçao dan belasting heft van de leveranciers. In dat geval wordt dus geen belasting geheven van de afnemer. Het spreekt voor zich dat dit voor de afnemers en voor het land waar de afnemers wonen een praktischer systeem is. De heffing wordt dan overigens ook anders bepaald: in de hiervoor geschetste hoofdvariant is de belasting 3-4% van de omzet maar in deze variant wordt een soort fictieve winst berekend en daarop wordt een tarief toegepast van 30%. Dit is dus in feite een winstbelasting, terwijl de eerste variant in feite een omzetbelasting is.

Het wordt afwachten hoe deze VN-benadering gaat vallen. Ik denk dat deze oplossing een goede kans maakt maar we moeten ons realiseren dat ook hier redelijk wat knelpunten zijn. 

Did you find this useful?