loonsverhoging

Article

Moet u zich als bedrijfsleider dit jaar een loonsverhoging toekennen?

Nieuwsbrief Actualiteiten, februari 2018

Om als vennootschap te kunnen genieten van het kmo-tarief in de vennootschapsbelasting, moet u zich als bedrijfsleider in 2018 zo mogelijk een hogere bezoldiging toekennen. Doet u dit niet, dan moet er ook een extra belasting betaald worden.

Kmo-vennootschappen moeten voor aanslagjaar 2019 op de eerste schijf van 100.000 EUR belastbare winst slechts 20 % belasting betalen op voorwaarde dat zij, onder meer, aan minstens één van de bedrijfsleiders een minimale bezoldiging (inclusief voordelen van alle aard) toekennen van 45.000 EUR (voorheen 36.000 EUR). Startende kmo’s moeten in de eerste vier belastbare tijdperken vanaf hun oprichting niet voldoen aan deze voorwaarde.

Minimum bezoldiging en afzonderlijke aanslag

De voorwaarde van minimumbezoldiging moet niet vervuld worden door vennootschappen met een beperkt belastbaar resultaat (na toekenning van de bezoldiging). Het volstaat dan een bezoldiging toe te kennen die minstens gelijk is aan het belastbaar resultaat. Is het belastbaar resultaat van de vennootschap minimaal 90.000 EUR (vóór aftrek van de bezoldiging), moet dus steeds rekening worden gehouden met een minimumbezoldiging van 45.000 EUR.

Bij een lager belastbaar resultaat, kan de vereiste minimumbezoldiging berekend worden door het belastbaar resultaat van 5,1 % (voor aj. 2019 en 2020) en 10 % (vanaf aj. 2021) op het positieve verschil tussen de wettelijke minimumbezoldiging en de hoogste bezoldiging aan één van haar bedrijfsleiders toegekend. Als de bezoldiging van de bedrijfsleider lager is dan het vereiste bedrag, is de heffingsgrondslag voor de afzonderlijke aanslag gelijk aan het verschil tussen de vereiste minimumbezoldiging en de werkelijke bezoldiging (voorbeeld in tabel).

Deze afzonderlijke aanslag geldt eveneens voor niet kmo-vennootschappen en  is een aftrekbare beroepskost. Bij startende kmo’s is deze afzonderlijke aanslag niet van toepassing gedurende de eerste 4 belastbare tijdperken vanaf de oprichting.

Verbonden vennootschappen

Voor vennootschappen die met elkaar verbonden zijn (in de zin van art. 11 W.Venn.) en waarvan minstens de helft van de bedrijfsleiders-natuurlijke personen dezelfde zijn, werd in een uitzondering heffing berekend op grond van het positieve verschil tussen deze verhoogde drempel en de som van de uitgekeerde bezoldigingen aan eenzelfde bedrijfsleider. De heffing is verschuldigd door de vennootschap met het hoogste belastbaar inkomen.  

Stel dat vennootschappen A, B en C met elkaar verbonden zijn. De bedrijfsleiders van vennootschap A zijn X en Y; de bedrijfsleiders van vennootschap B zijn X en Z en de bedrijfsleider van vennootschap C is X. Het bedrijfsleidersmandaat van persoon X vertegenwoordigt dus in elk van de verbonden vennootschappen A, B en C minstens de helft van de bedrijfsleidersmandaten. Indien A, B en C samen 75.000 EUR bezoldiging toekennen aan X, moet geen enkele vennootschap een bijzonder aanslag betalen. Bij een tekort zal de vennootschap met het hoogste belastbaar resultaat een heffing ondergaan gelijk aan 5,1 % (of 10 % vanaf aj. 2021) op het verschil tussen 75.000 EUR en het totaal van de bezoldigingen toegekend door A, B en C aan persoon X.

Bezoldiging Situatie 1 Situatie 2 Situatie 3
Situatie 4 Situatie 5
Belastbaar resultaat vóór aftrek bezoldiging 90.000 60.000 30.000 20.000 15.000
Aftrekbare bezoldiging -0 -10.000 -10.000 -10.000 -10.000
Belastbaar resultaat na aftrek bezoldiging 90.000 50.000 20.000 10.000 5.000
Vereiste minimumbezoldiging 45.000 30.000 15.000 10.000 7.500
Tekort aan bezoldiging 45.000 20.000 5.000 0 0
Afzonderlijke aanslag
5,1 % (aj. 2019 en 2020)
2.295 1.020 255 0 0
10,0 % (vanaf aj. 2021)  4.500 2.000
500    

Gepubliceerd op 20/02/2018
Nele VanCaeneghem, nvancaeneghem@deloitte.com

Onze maandelijkse gratis nieuwsbrief ontvangen in je mailbox? Klik hier
Did you find this useful?