zomerakkoord-2017

Article

Wat moet u nog weten over het Zomerakkoord?

Venootschapsbelasting, spaarfiscaliteit en btw

Nieuwsbrief Actualiteiten, oktober 2017

Er wacht de regering nog veel werk de komende maanden. De krijtlijnen van het Zomerakkoord zijn dan wel geschetst, maar moeten nog in ontwerpteksten worden gegoten en aan het advies van de Raad van State worden voorgelegd. Het zou dus best kunnen dat er nog wijzigingen worden aangebracht. Hier gaan we verder dan de wijzigingen aan de vennootschapsbelasting en zoomen we ook in op de spaarfiscaliteit en de btw.

Vennootschapsbelasting

Vooruitbetaalde kosten

Voortaan zal het boekhoudkundige matchingprincipe ook worden doorgetrokken op fiscaal vlak. Betaalt een vennootschap kosten met betrekking tot activiteiten of inkomsten van volgende jaren, dan zullen die kosten slechts aftrekbaar zijn in die volgende jaren. Facturen die bijvoorbeeld nog snel op het einde van het jaar worden betaald en die betrekking hebben op activiteiten of inkomsten van het volgend jaar, zullen pas tijdens dat jaar aftrekbaar zijn. Ook een voor vele jaren vooruitbetaalde huur zal vanaf 2018 niet meer aftrekbaar zijn in het jaar waarin de huur is betaald.

Belasting op gespreid te belasten meerwaarden

Een vennootschap die een meerwaarde realiseert op een materieel vast actief, kan ervoor kiezen om deze meerwaarde gespreid in de tijd te laten belasten. Voorwaarde is dat het gerealiseerde bedrag binnen een beperkte periode (3 of 5 jaar) wordt geherinvesteerd in een ander afschrijfbaar materieel vast actief. Wetende dat het belastingtarief de volgende jaren daalt, zou men kunnen opteren
voor gespreide taxatie, zelfs indien er geen herbeleggingsinvesteringen gepland zijn.

Om dergelijke ‘misbruiken’ tegen te gaan, is voorzien dat de meerwaarde dan alsnog belastbaar wordt aan het tarief dat van toepassing was op het ogenblik van realisatie van de meerwaarde (en dus niet aan het intussen gedaalde tarief).

Aangifte en controle van belasting

Als een vennootschap haar aangifte niet of te laat indient, dan zal dit strenger gesanctioneerd worden. De belastbare minimumwinst wordt nu forfaitair vastgelegd op 19.000 EUR (art. 182 § 2 KB/WIB 92). Bij geen of laattijdige aangifte, zal dit bedrag worden verhoogd naar 40.000 EUR. De effectieve sanctie stijgt minder sterk omdat het tarief van de vennootschapsbelasting daalt. Een grote vennootschap betaalt momenteel 6.640 EUR (19.000 EUR x 34 %)
effectieve belastingen. Na de daling van de vennootschapsbelasting tot 25 %, wordt dit 10.000 EUR (40.000 EUR x 25 %).

Wordt de belastbare basis na een fiscale controle verhoogd, dan zal hierop effectief belasting moeten betaald worden. De belastingplichtige vennootschap zal deze verhoging niet meer kunnen compenseren met overdraagbare verliezen.

Als de fiscus te veel betaalde belastingen dient terug te betalen aan de belastingplichtige, of omgekeerd wanneer de belastingplichtige belastingen moet bijbetalen aan de fiscus, dan moeten er interesten worden betaald als de fiscus of de belastingplichtige de betalingstermijn laat voorbijgaan. Deze moratorium- (als de fiscus moet betalen) en nalatigheidsinteresten (als de belastingplichtige moet betalen), worden nu gelinkt aan een (onrealistische) vaste rentevoet van 7 %. De interesten zullen vanaf aanslagjaar 2019 gekoppeld worden aan de evolutie van de OLO-rente, met een minimum van 2 % voor moratoriuminteresten. Nalatigheidsinteresten zullen altijd 2 % hoger liggen dan de moratoriuminteresten.

Onze maandelijkse gratis nieuwsbrief ontvangen in je mailbox? Klik hier

Maatregelen over de spaarfiscaliteit

Het Zomerakkoord bevat meerdere maatregelen die gevolgen hebben voor de belegger. Enerzijds wil de overheid het spaargeld activeren voor de economie en anderzijds wordt er een inspanning gevraagd van beleggers met meer dan 500.000 EUR op hun effectenrekening.

Abonnementstaks van 0,15 %

Vanaf 2018 wordt een nieuwe jaarlijkse ‘abonnementstaks’ op effectenrekeningen ingevoerd en dit voor beursgenoteerde aandelen, (genoteerde en niet-genoteerde) obligaties, fondsen, kasbons en warrants. Pensioensparen, levensverzekeringen (tak21- en tak23-producten), cash op effectenrekeningen en nietbeursgenoteerde aandelen worden niet geviseerd. Dit laatste is goed nieuws voor bedrijfsleiders die een belangrijk aandelenpakket aanhouden in hun eigen familiale vennootschap. De taks bedraagt 0,15 % voor de gerevaloriseerde effectenrekeningen van 500.000 EUR en meer per belastingplichtige en wordt toegepast op de volledige waarde van de effectenrekening. Heeft een belegger
bijvoorbeeld een effectenrekening met een waarde van 700.000 EUR, dan betaalt hij 0,15 % op 700.000 EUR en niet enkel op het
‘surplus’ van 200.000 EUR. Een belegger die 500.001 EUR op zijn effectenrekening heeft staan, betaalt dus 1.500 EUR, terwijl een
belegger met 499.999 EUR niets betaalt. De banken zullen elke maand de waarde van de effectenrekening bepalen en de taks zal worden toegepast op de gemiddelde waarde van die 12 observaties.

De nieuwe taks geldt voor alle (Belgische en buitenlandse) effectenrekeningen aangehouden door Belgische rijksinwoners en is niet verschuldigd door vennootschappen en rechtspersonen. Als de rekeningen worden gehouden bij een Belgische bank, dan zal de bank de taks aan de bron en dus bevrijdend inhouden. Is dit niet gebeurd, dan staat de titularis van de rekening zelf in voor de aangifte en betaling van de taks.

Vrijstelling roerende voorheffing (RV) op dividenden en op spaarboekjes

Dividenden die worden ontvangen door natuurlijke personen zullen vanaf 2018 ten belope van 627 EUR per belastingplichtige, per jaar, worden vrijgesteld van RV. De belastingdruk voor aandelenbeleggers daalt dus met 188,1 EUR (627 EUR x 30 %).

De vrijstelling zal worden toegekend via de fiscale aangifte. Beleggers zullen dus eerst RV moeten betalen op alle ontvangen
dividenden en kunnen daarna via de aangifte 30 % van 627 EUR terugvorderen. De vrijstelling van de RV op de interesten van spaarboekjes wordt verminderd van 1.880 tot 940 EUR per jaar vanaf 2018.

Beleggingsfondsen en beurstaks

Als een belegger een meerwaarde realiseert op een beleggingsfonds dat minstens 25 % belegt in obligaties, moet hij op deze meerwaarde 30 % RV betalen. Deze 25 %-grens wordt vanaf 2018 verlaagd naar 10 %. Dus van zodra fondsen minstens 10 % van hun activa investeren in obligaties, moet er 30 % RV worden
betaald op de gerealiseerde meerwaarde. Zuivere aandelenfondsen worden niet getroffen. De beurstaks bij aan- of verkoop van aandelen stijgt van 0,27 % naar 0,35 %; voor obligaties van 0,09 % tot 0,12 %. Het maximumplafond van de beurstaks, per transactie, wordt niet gewijzigd. De maximale taks per transactie blijft dus 1.600 EUR voor aandelen, 1.300 EUR voor obligaties en 4.000 EUR voor fondsen.

Fiscaal pensioensparen

Pensioenspaarders krijgen vanaf 2018 de keuze tussen twee formules; de huidige formule van belastingvermindering van 30 % voor stortingen tot maximum 940 EUR per jaar, of een nieuwe formule van belastingvermindering van 25 % voor stortingen tot maximum 1.200 EUR per jaar. Vanaf de leeftijd van 60 jaar (tot en
met het jaar waarin men 65 wordt) kunnen er nog premies worden betaald waarop de spaarder een belastingvermindering krijgt, zonder extra belasting bij uitbetaling van het pensioenkapitaal. De pensioenspaarder die ouder is dan 60 en jonger dan 65, doet er goed aan te kiezen voor de nieuwe formule van 1.200 EUR.

Btw op onroerende verhuur

Onder de huidige btw-regeling is onroerende verhuur vrijgesteld van btw. Hierop bestaan er evenwel een aantal uitzonderingen (onroerende leasing, verhuur opslagruimte, verhuur garages, opzet dienstencentrum, etc.). Deze btwvrijstelling verhindert de recuperatie van btw op bouw- en onderhoudskosten in hoofde van de verhuurder. De regering heeft besloten om een nieuw optioneel systeem voor btw-onderwerping in te voeren. Er zal dus een mogelijkheid zijn om de onroerende verhuur, mits keuze door de  verhuurder, aan btw te onderwerpen vanaf 1 januari 2018. Dit is de streefdatum; er zijn echter nog een aantal zaken uit te klaren waaronder de draagwijdte van de maatregel, de voorwaarden van de toepassing ervan, de impact op bestaande overeenkomsten en de daarmee samenhangende btw-aftrekregeling. Om misbruiken te vermijden, zal het in principe niet mogelijk zijn om een van vóór 1 januari 2018 bestaand contract met dezelfde partijen en modaliteiten na 1 januari 2018 om te vormen naar een aan btw onderworpen professionele verhuur.

De nieuwe regeling is een strikt optioneel regime. Wanneer niet expliciet voor verhuur met btw gekozen wordt, kwalificeert de overeenkomst in principe als een vrijgestelde onroerende verhuur
(behoudens de specifieke regelingen). Verhuren met btw kan enkel als de huurder een onderneming of een vrije beroeper is die het onroerend goed professioneel gebruikt.

Kiest de verhuurder voor een verhuur met btw, dan kan hij de btw recupereren die hij heeft voorgefinancierd bij de oprichting, de koop, het onderhoud, … van het onroerend goed. Deze btw moet nog wel worden voorafbetaald, maar de uiteindelijke btw-kost zal verdwijnen waardoor in principe een lagere huurprijs kan worden toegepast. De huurder zal op zijn beurt de op de huur betaalde btw geheel of gedeeltelijk kunnen recupereren.

Al deze maatregelen moeten nog verfijnd worden. De essentie van de belastinghervorming is een verlaging van de tarieven met als compensatie een hele reeks maatregelen die het er niet eenvoudiger op maken. Spreek daarom zeker uw accountant en fiscale raadgever aan om de pro’s en contra’s van deze hervorming in kaart te brengen. We staan alvast klaar om u door het kluwen van wijzigingen te loodsen.

Voor meer informatie: Nele VanCaeneghem, nvancaeneghem@deloitte.com

Did you find this useful?

Related topics