inspringen-maatschapsvermogen-familiebedrijf

Article

Inspringen met het maatschapsvermogen in het familiebedrijf

Nieuwsbrief Actualiteiten, mei 2020

Eén van de essentiële kenmerken van de maatschap is het ‘winstoogmerk’. Dit betekent dat het ingebrachte vermogen als een goed huisvader moet worden beheerd, teneinde dit vermogen minstens in stand te houden en bij voorkeur te doen aangroeien. Maar wat indien het plots moeilijk gaat in het familiebedrijf? Kan een maatschap haar vermogen dan zonder meer ter beschikking stellen, gelet op haar ‘winstoogmerk’?

Het toestaan door de maatschap van een lening aan het familiebedrijf moet beoordeeld worden vanuit het belang ervan voor de maatschap. Indien er een interest aangerekend wordt aan het familiebedrijf, en de terugbetaling naar alle waarschijnlijkheid geen probleem zal zijn, dan kan deze lening beschouwd worden als een verstandige belegging door de maatschap.

In het geval van een renteloze lening daarentegen, bestaat het risico dat de maatschap, bij gebrek aan winstoogmerk, als een gewone onverdeeldheid wordt beschouwd. Hierdoor kan elke vennoot de beëindiging vorderen en zijn deel in de maatschap opeisen. Een degelijke argumentatie is in dat geval dus vereist.

Eén van deze argumenten zou kunnen zijn dat het maatschapsvermogen (onder meer) is samengesteld uit aandelen van datzelfde familiebedrijf. De lening heeft dan tot doel de waarde van de aandelen minstens te behouden en bij voorkeur zelfs te doen stijgen. Een ander argument zou kunnen zijn dat de vennoten van de maatschap dezelfde zijn als de aandeelhouders van het familiebedrijf en zij allen hebben ingestemd met de lening.

Eenzelfde redenering geldt voor de inpandgeving van een beleggingsportefeuille door de maatschap als waarborg voor een lening afgesloten door het familiebedrijf. Indien de aandelen van het familiebedrijf tot het maatschapsvermogen behoren, kan het belang van de maatschap bij de inpandgeving geargumenteerd worden. Wanneer het familiebedrijf daarentegen eigendom zou zijn van (één van) de vennoten van de maatschap, zal de inpandgeving moeilijk verenigbaar zijn met het winstoogmerk van de maatschap.

Indien de zaakvoerder wil vermijden dat hij aansprakelijk wordt gesteld of wegens manifest wanbeheer gerechtelijk wordt afgezet, doet hij er in ieder geval goed aan om voorafgaandelijk de statuten te verifiëren. Deze voorzien best expliciet dat de maatschap leningen kan toestaan of zekerheden kan stellen.

Bovendien kan de zaakvoerder van een maatschap veelal niet zomaar en alleen beslissen tot dergelijke handelingen. Vaak zal hiervoor, naast de instemming van de zaakvoerder, statutair ook de toestemming van de algemene vergadering vereist zijn. Tenslotte worden de voorwaarden en modaliteiten van de lening best schriftelijk vastgelegd.

 

Gepubliceerd op 28/05/2020
Ellen Bonte, ebonte@deloitte.com

Did you find this useful?