Article

KMO-update

Aangifte huurwaarde buitenlands onroerend goed is discriminerend

Wie een niet-verhuurd onroerend goed in het buitenland bezit, dient in de Belgische aangifte personenbelasting de huurwaarde van dit onroerend goed aan te geven, waarna dit onder progressievoorbehoud wordt vrijgesteld. Is het niet-verhuurd onroerend goed echter in België gelegen, dan wordt de personenbelasting bepaald op basis van het kadastraal inkomen dat normaliter aanzienlijk lager ligt. In de mate dat deze verschillende behandeling leidt tot een hogere personenbelasting, wordt volgens het Hof van Justitie het vrije kapitaalverkeer binnen de EU geschonden.

De vaststelling dat door het aangeven van de huurwaarde van het buitenlands onroerend goed, de inkomsten van de Belgische belastingplichtige worden belast tegen een hoger belastingtarief in vergelijking met de situatie waarin de persoon een vergelijkbaar onroerend goed in België bezit, komt toe aan de nationale rechter. Wanneer dit het geval is, en het onroerend goed is gelegen in een andere lidstaat van de EER, dan ontmoedigt deze verschillende behandeling het investeren in onroerend goed dat niet in België is gelegen.

Het Europees Hof van Justitie (11 september 2014, C-489/13) stelt vast dat België dit verschil niet rechtvaardigt door zich te beroepen op een doelstelling van algemeen belang. Gezien binnen een EER-context de situatie waarin de belastingplichtige een onroerend goed bezit in zijn woonstaat België vergelijkbaar is met de situatie waarin een onroerend goed in een andere lidstaat wordt aangehouden, vormt de verschillende behandeling een beperking van het vrije kapitaalverkeer.

Context

De context van deze uitspraak dient duidelijk te worden afgelijnd. Vooreerst heeft deze uitspraak enkel betrekking op niet-verhuurd onroerend goed, al lijkt de verschillende behandeling van verhuurd onroerend goed evenmin verantwoord gezien in een Belgische context de belasting eveneens wordt bepaald op basis van het kadastraal inkomen. Daarnaast dient ook te worden aangetoond dat de belastingplichtige door deze afwijkende behandeling van buitenlands onroerend t.o.v. Belgisch onroerend goed onderworpen wordt aan een hoger belastingtarief. Tenslotte lijkt het toepassingsgebied ook beperkt tot onroerend goed dat gelegen is in een andere lidstaat van de EER.

Gevolgen in de praktijk

Wanneer een belastingplichtige zich in bovenstaande context bevindt, kan hij zich op dit arrest van het HvJ beroepen en voor het buitenlands onroerend goed enkel een forfaitair inkomen aangeven dat vergelijkbaar is met het Belgisch kadastraal inkomen. In de praktijk ligt dit echter niet voor de hand omwille van het feit dat dergelijk forfaitair inkomen in het buitenland zelden wordt toegekend. Belastingplichtigen met een onroerend goed in Frankrijk zouden hiervoor echter de ‘valeur locative’ die door de Franse fiscus wordt bepaald kunnen aangeven in hun aangifte personenbelasting.

Gezien een arrest van het HvJ door de fiscus wordt aanvaard als een nieuw feit, bestaat de mogelijkheid om voor het verleden een bezwaarschrift of (indien de bezwaartermijn is verstreken) een verzoek tot ambtshalve ontheffing in te dienen om de ontstane overbelasting terug te vorderen. De termijn voor dergelijk verzoek bedraagt vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd.

Dick Decrock, Tax & Legal Services


Gepubliceerd op 25/11/2014.

Did you find this useful?