Article

Aangifte in de roerende voorheffing: ook voor royalties

KMO-update

Naar aanleiding van een merkelijk verstrengde houding van de administratie bij controles, is het opportuun om de basisregels voor de aangifteplicht voor royalties nogmaals onder de aandacht te brengen. Ook wanneer de betalingen principieel worden vrijgesteld van bronheffing, geldt nog steeds de aangifteplicht.

“Royalties” zijn een algemene term die duidt op betalingen ter vergoeding van:

  • Het gebruik van een auteursrecht op het gebied van kunst of wetenschap;
  • Het gebruik van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, designs, software, geheime recepten of werkwijzen;
  • Het gebruik van inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van handel, wetenschap of nijverheid;
  • Het gebruik van uitrusting voor handels-, wetenschappelijke, of nijverheidsdoeleinden.

Allereerst is het essentieel na te gaan of deze betalingen geen beroepsinkomsten uitmaken en dus eventueel onderhevig zijn aan bedrijfsvoorheffing. Hierbij mag men ook de cross-border context niet uit het oog te verliezen.

Wanneer vaststaat dat de royalties kwalificeren als roerende inkomsten, dan is de Belgische uitkerende onderneming verplicht een aangifte in de roerende voorheffing op te maken en de eventuele belasting door te storten binnen een termijn van 15 dagen na de toekenning of betaalbaarstelling (art. 261,1 en 267 WIB). Het standaardtarief voor de bronheffing bedraagt 25% (art. 269 WIB).

Hoewel wij van mening zijn dat royalties toegekend aan een Belgische vennootschap vrijgesteld kunnen worden van roerende voorheffing (art. 111 KB/WIB), ontslaat dit de uitkerende vennootschap niet van de plicht om een aangifte (formulier 273) in te dienen. Deze aangifte dient vergezeld te zijn van een attest.

Wanneer de uitkering de Belgische landsgrenzen overschrijdt, kan men tussen verbonden EU-ondernemingen (participatie van minimaal 25%, met de intentie deze langer dan één jaar aan te houden) beroep doen op de vrijstellingen voorzien in de interest-en royaltyrichtlijn (art. 105 KB/WIB).

De richtlijn bepaalt dat EU-landen afzien van de onderlinge bronheffingen, doch niet van de aangifteplicht (formulier 273). Ook dient de aangifte vergezeld te zijn van een attest volgens art 111.d en 117§6 KB/WIB. In dit kader herinneren we aan het arrest van het Hof van Beroep van Gent (18 maart 2014) waarbij de vrijstelling van roerende voorheffing (op interesten) tussen verbonden ondernemingen geweigerd werd omdat er op het moment van de uitkering geen attest voorhanden was.

In het geval men in de internationale context geen beroep kan doen op de interest-en royaltyrichtlijn, kunnen de belastingverdragen een oplossing bieden. Een aantal verdragen (gebaseerd op het OESO-model) bepaalt dat de heffingsbevoegdheid exclusief toekomt aan het land van de genieter. De vrijstelling van Belgische bronheffing kan in die gevallen worden geclaimd middels formulier 276 R dat wordt toegevoegd aan de normale aangifte 273. Let wel, deze vrijstelling is alleen geldig voor zover de ontvanger ook de uiteindelijk gerechtigde is (anti-treaty shopping) en slechts tot een bedrag dat marktconform (at arm’s length) is.

Bruno Teirlynck, bteirlynck@deloitte.com

Gepubliceerd op 17/08/2015.

Did you find this useful?