Article

Het Argenta-arrest: een stand van zaken

KMO-update

In het Argenta-arrest heeft het Europese Hof Van Justitie de voormalige berekeningswijze van de notionele intrestaftrek, waarbij het netto-actief van buitenlandse vaste inrichtingen wordt uitgesloten van de berekeningsbasis, veroordeeld als strijdig met de Europese vrijheid van vestiging. Naar aanleiding hiervan werden voor tal van belastingplichtigen (die over een buitenlandse vaste inrichting of onroerend goed beschikken) ambtshalve ontheffingen ingediend, teneinde het teveel aan betaalde belasting terug te vorderen.

De fiscus heeft als reactie op voornoemd arrest, met ingang vanaf aanslagjaar 2014, een nieuwe berekeningsmethode ingevoerd voor de notionele intrestaftrek met betrekking tot buitenlandse vaste inrichtingen (zie TLS-Newsflash 2014-05). Hoewel deze nieuwe berekeningsmethode, toegevoegd in artikel 205 quinquies WIB 92, uitdrukkelijk in werking treedt met aanslagjaar 2014, past de fiscus de nieuwe berekeningsmethode ook toe voor het verleden. Hierin werd de fiscus echter door (recente) rechtspraak teruggefloten.

In de nieuwe berekeningsmethode van de notionele intrestaftrek wordt het eigen vermogen dat toerekenbaar is aan vaste inrichtingen of onroerende goederen gelegen in landen waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft afgesloten (hierna ‘verdragslanden’), niet langer uitgesloten uit de berekeningsbasis van de NIA. In plaats daarvan dient de aftrek zélf te worden beperkt met het deel dat berekend wordt op het eigen vermogen van die vaste inrichtingen of onroerende goederen.

Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de vaste inrichting of onroerende goederen gelegen buiten de EER en deze binnen de EER.

Buiten EER

Indien de vaste inrichting of het onroerend goed niet gelegen is binnen de EER en de daaruit verkregen inkomsten op grond van het verdrag in België vrijgesteld zijn, geldt de ‘algemene’ proportionele vermindering van de aftrek voor risicokapitaal. In essentie komt dit erop neer dat de aftrek wordt verminderd met het deel ervan dat verband houdt met het eigen vermogen dat toerekenbaar is aan de vaste inrichting of het onroerende goed in kwestie. Deze vermindering wordt bepaald door de nettowaarde van dit buitenlands eigen vermogen te vermenigvuldigen met het toepasselijk tarief van de aftrek.

Binnen EER

Indien de vaste inrichting of het onroerend goed wel gelegen is binnen de EER en de daaruit verkregen inkomsten bij verdrag zijn vrijgesteld, speelt de ‘specifieke’ vermindering van de aftrek. Deze vermindering is gelijk aan het laagste bedrag van de volgende bedragen:

  • De algemene proportionele vermindering zoals toepasselijk voor verdragslanden buiten de EER (zie supra); of
  • Het “positief resultaat” van de vaste inrichting, het onroerend goed of de rechten met betrekking tot dergelijk onroerend goed, zoals vastgesteld in het WIB92 (art. 205quinquies, al. 1 WIB92).

Dit betekent dat als de NIA m.b.t. de inrichting of het onroerend goed gelegen in het buitenland (EER) hoger is dan de winst die voortvloeit uit die activa, het overschot wél in aftrek mag komen van de Belgische winst. Bijgevolg verliest een vennootschap met vaste inrichting of onroerend goed in de EER waarmee België een verdrag heeft, in tegenstelling tot het verleden, niet meer het deel van de aftrek berekend op de verlieslatende inrichtingen of onroerende goederen.

Nieuwe berekeningsmethode ook van toepassing voor het verleden

De fiscus is echter de mening toegedaan dat de nieuwe berekeningsmethode ook van toepassing is voor het verleden en niet uitsluitend vanaf aanslagjaar 2014. Zo wordt in de Circulaire 19/2014, als gevolg van dit arrest, bepaald dat “Voor de bepaling van de aftrek voor risicokapitaal kan, voor wat de vennootschappen betreft die over één of meer vaste inrichtingen in een andere lidstaat van de EER beschikken waarvan de inkomsten vrijgesteld zijn krachtens overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting, een beroep worden gedaan op de berekeningsmethode zoals ingevoegd door art. 8, W 21.12.2013”.

Rechtspraak in voordeel van belastingplichtige

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen fluit de fiscus echter terug in haar vonnis van 12 december 2014, waarin wordt gesteld dat de nieuwe berekeningsmethode niet kan worden toegepast voor voorgaande aanslagjaren. De rechtbank van Brugge (9 april 2014) kwam eerder dat jaar tot eenzelfde conclusie.

Deze rechtspraak is goed nieuws voor de belastingplichtigen, alhoewel dient opgemerkt dat de fiscus zich niet neerlegt bij deze vonnissen en hoger beroep heeft aangetekend. Wordt ongetwijfeld vervolgd…

Jasper Van Dyck - jvandyck@deloitte.com & Annick Vanbylen - avanbylen@deloitte.com


Gepubliceerd op 29/06/2015.

Version française
Did you find this useful?