Article

KMO-update

Belangenconflicten en de uitzondering voor “gebruikelijke verrichtingen”

Een bestuurder of zaakvoerder van een vennootschap dient bij het nemen van beslissingen het belang van de vennootschap zo goed mogelijk te behartigen. In de praktijk doen zich echter situaties voor waarin een bestuurder of zaakvoerder dient mee te beslissen over bepaalde verrichtingen die voor hem een persoonlijk voordeel kunnen opleveren. Denken we bijvoorbeeld maar aan de verkoop of verhuur van een gebouw (privé-eigendom van een bestuurder) aan de vennootschap waarin hij zelf ook bestuurder is.

Wat zijn belangenconflicten?

Het Wetboek van vennootschappen bepaalt in dit kader het volgende: “Indien een bestuurder, rechtstreeks of onrechtstreeks, een belang van vermogensrechtelijke aard heeft dat strijdig is met een beslissing of een verrichting die tot de bevoegdheid behoort van de raad van bestuur, moet hij dit melden aan de andere bestuurders vóór de raad van bestuur een besluit neemt.” (artikel 523 § 1 W.Venn.).

Deze belangenconflictregeling is bijgevolg van toepassing op iedere beslissing waarbij sprake is van een vermogensrechtelijk strijdig belang, ongeacht of er effectief sprake is van een vermogensrechtelijke voor- en/of nadeel voor de betreffende bestuur. De procedure geldt voor NV’s en BVBA’s waarvan de raad van bestuur of het college van zaakvoerders als college dient te beraadslagen. Voor de BVBA bestaat tevens een regeling ingeval er geen college van zaakvoerders is en er één of meerdere zaakvoerders met een tegenstrijdig belang worden geconfronteerd.

Uitzonderingen

De wet voorziet twee hypotheses waarin voornoemde procedure niet dient te worden nageleefd, nl. bij handelingen tussen nauw verbonden vennootschappen en in geval van gebruikelijke verrichtingen. In wat volgt gaan we verder in op deze laatste uitzonderingsregel.

Gebruikelijke verrichtingen

Beslissingen van het bestuursorgaan die betrekking hebben op de gebruikelijke verrichtingen, betreffen verrichtingen die plaatshebben onder de voorwaarden en tegen de zekerheden die op de markt gewoonlijk gelden voor soortgelijke verrichtingen.

Op de eerste plaats rijst de vraag vanuit welk perspectief de vraag of een verrichting al dan niet gebruikelijk is, dient te worden beantwoord: vanuit het perspectief van de vennootschap, dan wel vanuit wat op de markt gebruikelijk is, waarbij de klemtoon komt te liggen op de correcte transactievoorwaarden. Algemeen wordt aanvaard dat het begrip dient te worden geïnterpreteerd in het licht van de activiteiten van de vennootschap in kwestie, niet in het licht van wat op de markt gebruikelijk is. Dit is logisch, vermits de regel van de “gebruikelijke marktvoorwaarden” slechts een toepassingsvoorwaarde voor de vrijstelling is, en niet het toepassingsgebied van de regel zelf bepaalt.

Vervolgens kan het gebruikelijk karakter van de verrichting beoordeeld worden aan de hand van de volgende criteria (cf. Parrein, F. “De belangenconflictprocedure en de notie gebruikelijke verrichtingen” (noot onder Kh. 15 februari 2012), TRV 2014, 539-543):

  1. De verrichtingen die het statutair doel van de vennootschap overschrijden kunnen nooit als gebruikelijk gelden.
  2. De aard van de verrichting of het herhaaldelijk karakter ervan.
  3. Het belang van een verrichting kan, ondanks het feit dat voldaan is aan het criterium aangehaald onder (2), aan een verrichting het gebruikelijk karakter ontnemen, waarbij geldt dat dit wordt bepaald door de mogelijke impact van de verrichting op de vennootschap. Het is niet omdat een verrichting herhaaldelijk wordt gesteld, dat zij op grond daarvan noodzakelijkerwijs als gebruikelijk kan worden aangemerkt. Verrichtingen die, gelet op hun aard, herhaaldelijk worden gesteld, kunnen door hun omvang of belang ongebruikelijk worden.
  4. De verrichting die een eerder gebruikelijke verrichting aanvult, is eveneens gebruikelijk.

Zijn onder meer gebruikelijke verrichtingen: verkooptransacties van een immobiliënmaatschappij, toekenning van een lening tegen de normale marktvoorwaarden door een bank aan een bestuurder.

Hoewel enkele criteria worden geformuleerd, blijft het steeds een in concreto-benadering, zodat de vraag wanneer een verrichting gebruikelijk is, in zijn algemeenheid niet kan worden beantwoord. In geval van twijfel verdient het aanbeveling de belangenconflictenprocedure na te leven. Indien een rechter nadien zou oordelen dat een verrichting toch niet gebruikelijk was, riskeren de bestuurders immers aansprakelijk te worden gesteld voor de niet-naleving van de belangenconflictprocedure.

Edine Dirkx, Tax & Legal Services


Gepubliceerd op 25/11/2014.

Did you find this useful?