Article

Alweer een betwistbaar VLABEL-standpunt inzake levensverzekeringen

KMO-update

De uitkering welke een persoon B ontvangt na het overlijden van persoon A, ingevolge een levensverzekeringspolis afgesloten door diezelfde persoon A, wordt sinds jaar en dag onderworpen aan erfbelasting.

In de praktijk worden echter vaak ook levensverzekeringen afgesloten als volgt:

  • Verzekeringsnemers: A en B (bv. echtgenoten)
  • Verzekerden: A en B
  • Begunstigde: C (bv. kinderen)

In zulke polissen wordt bepaald dat slecht na het overlijden van de langstlevende van A én B, de uitkering aan C zal plaatsvinden. Bij het overlijden van A of B zal de verzekeraar dus nog geen prestatie verschuldigd zijn aan C. Wel zal de langstlevende van de verzekeringsnemers alle rechten op de polis (afkooprecht, recht tot wijziging van de begunstiging,…) verkrijgen.

Na haar controversieel standpunt inzake de verzekeringsgift, heeft de Vlaamse Belastingdienst (VLABEL) begin april een nieuw standpunt omtrent voormelde polissen met twee verzekeringsnemers en twee verzekerden gepubliceerd. Hierin stelt ze dat bij het eerste overlijden de begunstigde van de polis belast zal worden op de helft van de afkoopwaarde van het contract ten dage van het overlijden. Bij het overlijden van de tweede verzekeringsnemer komt de polis tot uitkering, wat belast zal worden in de mate dat de begunstiging te danken is aan die tweede verzekeringsnemer. Daarom is de belastbare grondslag gelijk aan het verschil tussen de waarde die bij het eerste overlijden werd belast en het bedrag van de latere uitkering.

Dit standpunt is zeer betwistbaar om verschillende redenen. Zo is het onlogisch dat de begunstigde erfbelasting zal moeten betalen, ook al ontvangt hij geen uitkering naar aanleiding van het eerste overlijden. Bovendien is het voor de begunstigde niet zeker dat hij later, bij het tweede overlijden, recht zal hebben op de uitkering. De langstlevende verzekeringsnemer kan in de tussentijd immers de verzekering afgekocht hebben, een andere begunstigde hebben aangeduid, of de gehele polis geschonken hebben aan een derde. Het is daarnaast ook niet uitgesloten dat de begunstigde komt te overlijden vóór de tweede verzekeringsnemer.

Het is bijgevolg niet ondenkbaar dat de begunstigde erfbelasting betaalt over een uitkering welke hij nooit zal ontvangen. Een bijzonder onrechtvaardige gedachte.

Hoe komt de VLABEL tot dit standpunt? Een mogelijk antwoord op deze vraag kan gevonden worden in de tekst van artikel 2.7.1.0.6., §1, tweede lid van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF), welk het vroegere (federale) artikel 8, tweede lid Wetboek Successierechten vervangt. Daar waar vroeger in de federale wetgeving sprake was van sommen die de begunstigde “geroepen is kosteloos te ontvangen”, spreekt de huidige Vlaamse wetgeving over “sommen die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen […] na het overlijden van de erflater”.

De VLABEL lijkt van oordeel te zijn dat het sinds de inwerkingtreding van de VCF volstaat dat een begunstigde in de toekomst, mogelijk een som zou kunnen ontvangen, om die begunstigde te belasten bij het overlijden van de eerste verzekeringsnemer. Hier kan absoluut niet mee akkoord gegaan worden. In de memorie van toelichting bij de VCF staat immers expliciet vermeld dat de nieuwe formulering niet tot doel heeft om de interpretatie van het oorspronkelijke artikel 8 W. Succ. te wijzigen. Enkel het verhogen van de leesbaarheid stond voorop, alsook het hanteren van meer hedendaags taalgebruik.

Zoals ook het geval bij haar andere betwistbare standpunten, zal de VLABEL ongetwijfeld haar been stijf houden. Wij vrezen dus dat de belastingplichtige de discussie voor de rechtbank zal moeten voeren.

Brendan Kerremans – Legal Department

Gepubliceerd op 20/05/2016

Did you find this useful?