Article

KMO-update

BTW-aftrekregeling voor gemengd gebruikte bedrijfsmiddelen: wat is nieuw?

Vanaf 1 januari 2016 geldt een administratieve tolerantie voor bedrijfswagens die ter beschikking worden gesteld van handelsvertegenwoordigers. Deze tolerantie wordt vermeld in de nieuwe circulaire (nr. 36/2015 van 23 november 2015) omtrent de btw-aftrekregeling voor gemengd gebruikte bedrijfsmiddelen. Deze circulaire coördineert voornamelijk alle voorgaande beslissingen omtrent dit onderwerp, maar bevat ook enkele nieuwe elementen of verduidelijkingen die hieronder worden toegelicht.

1.   Bedrijfswagens: btw-behandeling van aanvullende opties

Het kan voorkomen dat een bedrijfswagen om niet ter beschikking wordt gesteld van een medewerker, maar dat deze medewerker de mogelijkheid heeft om tegen betaling aanvullende opties te kiezen. Wanneer volgende voorwaarden gelijktijdig zijn vervuld, wordt aangenomen dat de terbeschikkingstelling van de bedrijfswagen onder kosteloze titel plaatsvindt (en de betaalde bijdrage dus enkel betrekking heeft op de bijkomende opties):

§   Er wordt een eenmalige betaling gevraagd voor de opties, betaald bij aanvang van de terbeschikkingstelling van de wagen;

§   De mogelijkheid om de bijkomende opties te verkrijgen is facultatief.

In dit geval dient BTW te worden berekend over het bedrag van de bijkomende opties. De onderneming kan de btw over de kostprijs van deze opties volledig in aftrek brengen, voor zover de kost van deze opties volledig wordt doorgerekend.

2.   Demowagens: bijkomende toelichting

Wanneer een garagist of handelaar een wagen uit zijn voorraad in gebruik neemt (bijvoorbeeld als demowagen), bestaat er een bijzondere regeling. Er dient namelijk geen onttrekking te gebeuren indien de betrokken wagen wordt verkocht binnen de drie maanden nadat hij voor het eerst in het verkeer werd gebracht.

In het geval de wagen ook voor privédoeleinden wordt gebruikt, moet ook het beroepsgebruik niet worden vastgesteld in deze periode. Pas vanaf de eerste dag na deze periode van drie maanden dient het beroepsgebruik te worden vastgesteld overeenkomstig één van de drie gekende methoden.

3.   Gesloten akkoorden inzake beroepsgebruik

Het is mogelijk dat een onderneming een individueel formeel akkoord heeft afgesloten met de btw-Administratie omtrent het percentage beroepsgebruik van bepaalde goederen of diensten. De onderneming kan hier nog steeds beroep op doen, tenzij uit de concrete feitelijke omstandigheden blijkt dat de verhouding beroepsgebruik/privégebruik niet overeenstemt met het gesloten akkoord. Het is dus belangrijk om de draagwijdte van dit akkoord goed na te zien (wat als wagens worden vervangen?).

Bovendien moest het akkoord gesloten zijn uiterlijk op 27 november 2015 (datum publicatie circulaire).

4.   Woon-werkverkeer: enkele toepassingsgevallen en administratieve toleranties

  • Verduidelijking definitie woon-werkverkeer

Het woon-werkverkeer wordt nog steeds beschouwd als privégebruik van de wagen, en wordt omgeschreven als “het traject dat de gebruiker van een vervoermiddel aflegt tussen zijn woonplaats en zijn plaats van tewerkstelling of de plaats van waaruit hij zijn economische activiteit uitoefent”.

Er wordt verduidelijkt dat, in een gebruikelijk handelsrelatie tussen onafhankelijke personen, de inrichting van de klant of leverancier niet wordt beschouwd als plaats van tewerkstelling.

De ‘40-dagenregel’ inzake directe belastingen geldt dus niet voor btw.

  • Tolerantie voor werknemers in de bouwsector

Indien werknemers in de bouwsector zich vanuit hun woonplaats naar een verzamelplaats begeven die zich al dan niet situeert op de maatschappelijke zetel (of inrichting) van de belastingplichtige, waarna ze gezamenlijk naar een specifieke werf rijden, wordt het volledig traject aangemerkt als een beroepsmatige verplaatsing. Deze tolerantie geldt ook voor de verplaatsingen tussen de woonplaats en maatschappelijke zetel om materialen en gereedschap op te halen, alvorens naar een specifieke werf te rijden.

  • Maar geen tolerantie voor poolwagens

Indien een werknemer zich vanaf zijn woonplaats naar een verzamelplaats begeeft, om vervolgens samen met een collega naar hun plaats van tewerkstelling te rijden (poolwagen), wordt het volledig afgelegde traject beschouwd als woon-werkverkeer.

  • Tolerantie voor bestuurders of zaakvoerders in de hoedanigheid van belastingplichtige

Voor bestuurders of zaakvoerders met de hoedanigheid van belastingplichtige, wordt het traject van hun woonplaats tot de maatschappelijke zetel beschouwd als een beroepsverplaatsing. Voor niet-belastingplichtige bestuurders of zaakvoerders blijft dit traject woon-werkverkeer (eventueel 0 indien de maatschappelijk zetel = thuisadres).

  • Maar geen tolerantie voor advocaat-stagiair of advocaat-medewerker

De verplaatsing van de advocaat-stagiair of –medewerker van zijn woonplaats naar het advocatenkantoor waarvoor hij duurzaam is tewerkgesteld, wordt beschouwd als woon-werkverkeer.

5.   Tankkaart

Wanneer een onderneming enkel een tankkaart ter beschikking stelt (zonder wagen), kan het forfait van 75% voor roerende goederen niet worden toegepast. Evenmin kan gebruik worden gemaakt van een van de 3 methoden voor de bepaling van het beroepsgebruik. In zo’n geval wordt het beroepsgebruik vastgesteld op basis van feitelijke omstandigheden onder toezicht van de Administratie, maar het gebruik van een rittenadministratie zal niet geweigerd worden door de Administratie.

6.   Drie methoden voor berekening van het beroepsgebruik van voertuigen

De nieuwe circulaire brengt geen grote wijzigingen met zich mee met betrekking tot de 3 gekende methoden voor de berekening van het beroepsgebruik.

Methode 2 (semi-forfaitaire formule) en methode 3 (forfait 35%) kunnen slechts worden toegepast indien aan volgende voorwaarden cumulatief voldaan is:

  • Er is één vaste gebruiker per voertuig
  • Er is één voertuig per gebruiker
  • NIEUW: het beroepsgebruik mag niet onbeduidend zijn (beroepsgebruik < 10%).

Opmerkelijk is dat de Administratie stelt dat er geen onbeduidend beroepsgebruik is indien de wagen ter beschikking wordt gesteld in het kader van het loonbeleid van de onderneming.

Voor fiscale lichte vrachtwagens kan een onderneming een rittenadministratie bijhouden (methode 1) of een algemeen forfait van 85% toepassen.

7.   Verwarming en elektriciteit: wel nog taxatie op het voordeel mogelijk bij de gratis terbeschikkingstelling

Het algemeen forfait van 75% btw-aftrek voor roerende goederen kan niet worden toegepast voor de leveringen van elektriciteit, aardgas, water, aardolie, enz. In principe moet het beroepsgebruik hiervan worden vastgesteld onder toezicht van de administratie, rekening houden met de feitelijke omstandigheden.

De Administratie voorziet echter in een tolerantie bij het gratis gebruik van verwarming en elektriciteit door de zaakvoerder, bestuurder of personeelslid die de goederen mag gebruiken voor zijn privédoeleinden. De belastingplichtige mag, in geval van een “normaal verbruik”, de btw volledig in aftrek brengen op voorwaarde dat de btw op het aangerekende forfaitaire voordeel van alle aard inzake directe belastingen doorgestort wordt aan de schatkist.

 

8.   Tot slot besteedt de circulaire een ruim hoofdstuk aan de aftrekregeling bij het gemengd gebruikt van bedrijfsmiddelen door gemengde belastingplichtigen.

Als uitgangspunt geldt hier dat de gemengde belastingplichtige zijn aftrekregeling toepast (algemeen verhoudingsgetal of werkelijk gebruik), nadat de aftrek reeds werd beperkt aan de hand van de aftrekegels inzake gemengd gebruik van bedrijfsgoederen.

Tine Maes – VAT Department

Did you find this useful?