Article

KMO-update

Cliënteel niet vatbaar voor verhuur volgens het Hof van Cassatie

Het Hof van Cassatie heeft met haar arrest van 19 september 2013 geoordeeld dat een verhuur van cliënteel niet mogelijk is, hoewel dit door vele ondernemers al werd toegepast.

Inleiding

De verhuur van cliënteel is de laatste jaren een populair middel voor belastingplichtigen die hun beroepsactiviteit stopzetten om deze eventueel verder te zetten in een pas opgerichte vennootschap. Deze constructie brengt namelijk belangrijke fiscale voordelen met zich mee.

Zo zijn de huurgelden in hoofde van de vennootschap aftrekbare beroepskosten en in hoofde van de verhuurder worden ze behandeld als inkomsten uit de verhuur van roerende goederen die slechts belastbaar zijn tegen een tarief van 25%, na aftrek van 15% forfaitaire kosten.

Het is dan ook niet verrassend dat de fiscus al jarenlang strijd voert tegen het gebruik van een dergelijke constructie. Zij zal nagaan of de natuurlijke persoon zijn of haar beroepsactiviteit wel degelijk heeft stopgezet. Soms argumenteert zij ook dat de verhuur van cliënteel geveinsd is en dat de huurgelden dus eigenlijk bezoldigingen van bedrijfsleiders zijn.

Feiten

Een ondernemer baatte samen met zijn zus een geërfde cliëntenportefeuille van een verzekeringsmakelaar uit. Op een bepaald ogenblik besloten ze tot de oprichting van een BVBA waaraan het cliënteel werd verhuurd. De ontvangsten namen ze als huuropbrengst op in hun aangifte personenbelasting. Dergelijke kwalificatie werd echter om diverse redenen verworpen door de administratie die de inkomsten belastte aan het progressief tarief in de personenbelasting als beroepsinkomsten.

De zaak kwam voor het Hof van Beroep te Antwerpen die het echter niet eens was met dergelijke kwalificatie en het standpunt van de administratie verwierp.

De administratie diende hiertegen een verzoek in bij het Hof van Cassatie waarbij het stelde dat cliënteel geen recht noch een goed is in de zin van het Burgerlijk Wetboek, zodat het geen voorwerp kan uitmaken van verhuur noch van verkoop.

Uitspraak Hof van Cassatie

Het Hof geeft de administratie tot op een zekere hoogte gelijk, doch volgt hierbij een andere redenering.

Zo meent zij dat de huur van goederen, conform het Burgerlijk Wetboek, een contract is, waarbij de ene partij zich verbindt om de andere het genot van een zaak te verstrekken gedurende een zekere tijd en tegen een bepaalde prijs. Daarbij rust op de verhuurder de verplichting om het rustig genot van het goed aan de huurder te garanderen.

Vervolgens stelt het Hof, zonder enige verdere motivering, dat cliënteel geen voorwerp kan uitmaken van een huurovereenkomst aangezien een ondernemer niet het rustig genot van zijn cliënteel kan verschaffen aan iemand anders.

Conclusie

In de rechtsleer wordt het arrest sterk bekritiseerd om verscheidene redenen. Zo staat de uitspraak lijnrecht tegenover de verhuring van een handelszaak die in de rechtsleer als een perfect geldige overeenkomst wordt beschouwd en waarvan men in de praktijk toch kan stellen dat het cliënteel vaak een zeer belangrijk onderdeel is.

Bovendien is het nog zeer onduidelijk wat dit arrest betekent voor de praktijk. Als immers verhuur van cliënteel niet mogelijk is dan dient dit type van overeenkomsten, bijvoorbeeld naar aanleiding van een belastingcontrole, anders gekwalificeerd te worden. Het is op voorhand niet duidelijk hoe dit zal uitdraaien en dus ook niet wat de fiscale behandeling dan wel zal zijn volgens de fiscus in hoofde van de verhuurder.

Bart Verhelst, Deloitte


Gepubliceerd op 10/04/2014.

Did you find this useful?