agentuurovereenkomst

Article

Conventionele berekeningswijze van de uitwinningsvergoeding in een agentuurovereenkomst: toegelaten of niet?

KMO-update

Op grond van artikel X.18 Wetboek Economisch Recht (WER) heeft de agent na beëindiging van de agentuurovereenkomst recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal (i) nieuwe klanten heeft aangebracht of (ii) wanneer hij de zaken met bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.

Aangaande de begroting van de uitwinningsvergoeding wordt er geen concrete berekeningswijze voorzien maar wordt er louter een maximum bedrag gestipuleerd in de wet. In wat volgt wordt er nagegaan op basis van rechtspraak van het Hof van Justitie of het gebrek aan een berekeningsmethode ruimte laat voor de contractspartijen om op conventionele wijze vast te leggen hoe de hoogte van de uitwinningsvergoeding zal berekend worden.

Maximum vergoeding

De uitwinningsvergoeding mag conform de wet niet meer bedragen dan het bedrag dat overeenstemt met één jaar vergoeding, dewelke berekend wordt op basis van het gemiddelde van de vijf voorafgaande jaren of op basis van de gemiddelde vergoeding van de voorgaande jaren indien de agentuurovereenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd.

Ingevolge deze formulering zou er aldus kunnen geoordeeld worden dat partijen gerechtigd zijn om een lagere vergoeding te bedingen. Dit strookt echter niet met de bedoeling van de wetgever daar artikel X.21 WER uitdrukkelijk bepaalt dat partijen, voor het einde van de agentuurovereenkomst, niet ten nadele van de agent mogen afwijken van de bepalingen betreffende de uitwinningsvergoeding. Deze bepaling is van dwingend recht.

Bijgevolg zal elk beding dat strengere toekenningsvoorwaarden en/of modaliteiten zou vastleggen of waarvan de uitwerking zou leiden tot een lagere uitwinningsvergoeding dan deze waarop de agent zou recht hebben op grond van de wet, buiten toepassing verklaard worden.

Toegelaten conventionele afwijking

Bovenstaande sluit echter niet uit dat partijen in geen geval meer kunnen voorzien in een conventionele berekeningswijze. Het Hof van Justitie oordeelt dat dergelijke regeling mogelijk is wanneer het op voorhand (i.e. het tijdstip waarop partijen de afwijking overwegen) vaststaat dat de conventionele vergoeding die de agent zal krijgen bij de beëindiging van de agentuurovereenkomst meer bedraagt dan of minstens gelijk zal zijn aan de vergoeding waarop hij wettelijk gerechtigd is (en dus niet in zijn nadeel is).

Voorafgaandelijk dient er dus aangetoond te worden dat de toepassing van het conventionele beding nooit ongunstig zal zijn voor de agent gezien het beding hem een vergoeding waarborgt die groter is dan of minstens gelijk is aan de wettelijke uitwinningsvergoeding. Het feit dat het beding mogelijks in het voordeel van de agent kan zijn, volstaat niet.

Praktisch gezien bestaan er slechts een beperkt aantal mogelijkheden om de (berekeningswijze van de) uitwinningsvergoeding op geldige wijze conventioneel vast te leggen:

  1. Een eerste optie lijkt deze te zijn waarbij het beding zowel toekenningsvoorwaarden als berekeningscriteria bevat die duidelijk en bij voorbaat in alle hypotheses na beëindiging niet ongunstiger zullen zijn voor de agent dan wat de wet voorschrijft.
  2. De tweede optie betreft een beding waarin een minimale uitwinningsvergoeding ten gunste van de agent is opgenomen maar waarin er tevens uitdrukkelijk wordt bepaald dat de rechter na beëindiging een hogere vergoeding kan toekennen conform de wettelijke voorwaarden en begrotingscriteria.

Conclusie

Op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie genieten contractspartijen een bepaalde vrijheid om de berekeningswijze voor de uitwinningsvergoeding conventioneel vast te leggen. Opteren voor dergelijk beding zal evenwel risico’s inhouden gezien het immers voor de beëindiging al duidelijk dient te zijn dat de agent een vergoeding zal krijgen die minimaal overeenstemt met de wettelijke uitwinningsvergoeding (een hogere vergoeding zal dus ook toegelaten zijn). Het staat zonder meer vast dat dit geen makkelijke opgave betreft.

Liesl Molinarolli – Legal Department

Gepubliceerd op 24/03/2016

Version française
Did you find this useful?