Article

Esthetische chirurgie

KMO-update

Met de wet van 26 december 2015 besliste de federale regering om de btw-vrijstelling die van toepassing was op de medische diensten die door artsen verleend worden in het kader van esthetische chirurgie, op te heffen met onmiddellijke ingang van 1 januari 2016.

De opheffing van deze vrijstelling volgt op een arrest van het Europese Hof van Justitie van 21 maart 2013 (zaak C-91/12, PFC Clinic AB). In dit arrest verduidelijkte het Hof de beperking van het toepassingsgebied van de btw-vrijstellingen inzake medische verzorging zoals bedoeld in artikel 132, §1, sub b) en c) van de Btw-richtlijn.

Voortaan zijn de artsen gehouden hun handelingen aan btw te onderwerpen indien aan onderstaande voorwaarden cumulatief is voldaan:

  • Het betreft diensten van een arts;
  • Het betreffen diensten die betrekking hebben op een esthetische ingreep of behandeling;
  • De geleverde diensten zijn niet opgenomen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering; of
  • De diensten zijn wel opgenomen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, maar beantwoordt niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming overeenkomstig de reglementering betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

Ter informatie geven we nog mee dat alle ondersteunende diensten en goederen, zoals verpleging en medische verzorging die nauw samen hangen en betrekking hebben op dergelijke esthetische ingrepen, eveneens uitgesloten zijn van de vrijstelling en bijgevolg allen onderworpen dienen te worden aan btw.

Rekening houdend met de ongerustheid binnen de medische sector, liet de Administratie weten dat ze momenteel de laatste hand leggen aan een commentaar bij deze wetswijziging. Bovendien werd er al preventief beslist om een overgangsregeling uit te werken.

Zo informeerde de Administratie dat de identificatieaanvragen voor btw-doeleinden of enige wijzigingen hiervan, zullen geacht worden tijdig te zijn ingediend indien deze ten laatste op 31 maart 2016 bij betrokken Administratie zijn toegekomen.

In afwachting van de publicatie van voornoemde commentaar blijven alle dossiers die betrekking hebben op de afschaffing van de vrijstelling hangende tot 31 maart 2016. Indien er bijkomend uitstel zal verleend worden, kan ook deze termijn nog wijzigen.

Bovendien bepaalt de overgangsregeling dat de handelingen die het voorwerp uitmaken van de afschaffing van de vrijstelling, toch vrijgesteld blijven indien volgende voorwaarden cumulatief zijn voldaan:

  1. Ten laatste op 29 februari 2016 wordt er met de patiënt een overeenkomst gesloten betreffende de uitvoering van de ingreep of de behandeling op een welbepaalde datum;
  2. De behandeling of ingreep wordt effectief ten laatste op 30 juni 2016 uitgevoerd.

Om deze redenen werd dan ook beslist dat de handelingen die werden uitgevoerd sinds 1 maart 2016 en die niet onder toepassing van de overgangsregeling zouden vallen, ten laatste kunnen worden opgenomen in de btw-aangifte van juni 2016 of van het tweede kwartaal van 2016, zonder enig risico van sancties wegens vertraging.

Aarzel niet om contact op te nemen met het btw-team indien u vragen heeft over de overgangsregeling, wij geven opnieuw een stand van zaken wanneer de commentaar gepubliceerd wordt.

Vasseur Baptiste – VAT Department

Gepubliceerd op 11/03/2016

Version française
Did you find this useful?