Article

KMO-update

FFB: het Grondwettelijk Hof brengt eindelijk een zekere logica in het systeem

Om dubbele belasting te voorkomen op bepaalde inkomsten van roerende goederen (interest en royalty’s) die in het buitenland al belast zijn, voorziet art 285 WIB 92 in de mogelijkheid om een verrekening met de Belgische belasting toe te staan ten belope van het forfaitaire gedeelte van de buitenlandse belasting ('FFB').

Korte theoretische beschrijving van de maatregel

Deze verrekening is enkel mogelijk indien:

  1. de inkomsten in het buitenland onderworpen zijn aan een belasting die analoog is met de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners;n
  2. de onderliggende fondsen in België aangewend worden voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid.

Het FFB is niet terugbetaalbaar en ook niet overdraagbaar. Zo verliest een vennootschap die dit FFB niet volledig kan verrekenen het niet gebruikte bedrag volledig en definitief. Overeenkomstig de toepassing van art. 37, al 3 WIB 92 moet het volledige bedrag van het FFB toegevoegd worden aan de verworpen uitgaven (en dat ongeacht het al dan niet verrekenen van dit bedrag met de verschuldigde Belgische belasting), wat dus leidt tot een hoger fiscaal resultaat.

De feiten

Een Belgische vennootschap had interesten gekregen op een lening die ze verstrekt had aan haar Australische dochteronderneming . Deze Belgische vennootschap beriep zich op de verrekening van het FFB en voegde dit toe aan haar VU. Aangezien deze vennootschap fiscaal verlies leed, was zij geen Ven.B verschuldigd voor het betreffende boekjaar. Zij kon het FFB dus niet verrekenen terwijl ze dit FFB wel aan haar VU had toegevoegd (wat dus het bedrag van haar fiscaal overdraagbaar verlies deed verminderen door de verhoging van de belastbare grondslag via de VU). De vennootschap heeft dus beslist om het niet gebruikte FFB-saldo over te dragen naar een volgende periode maar de fiscus had daar geen oren naar. De zaak werd bijgevolg aanhangig gemaakt voor de rechtbank van eerste aanleg in Antwerpen die twee prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Grondwettelijk Hof.

De vragen voor het Grondwettelijk Hof

  • Is er, betreffende de toepassing van de FFB-maatregel, geen discriminatie tussen de vennootschappen met een positieve belastbare grondslag (die dit FFB kunnen verrekenen en zo de fiscale druk op deze inkomsten kunnen verlagen) en de vennootschappen die er geen hebben (en daardoor dit FFB niet kunnen verrekenen, terwijl dit een weerslag heeft op de VU en zo een fiscaal nadeel vormt voor de vennootschap) aangezien het FFB niet terugbetaalbaar en ook niet overdraagbaar is?
  • Is er geen schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel in de mate waarin het FFB aan de belastbare grondslag toegevoegd moet worden ongeacht de effectieve verrekening ervan?

Beslissing van het Grondwettelijk Hof (arrest nr14/2014 van 29 januari 2014)

  • Het feit dat het FFB niet overdraagbaar noch terugbetaalbaar is, wanneer er geen verrekening gebeurd is, geeft geen aanleiding tot situaties die in strijd zijn met de Grondwet.
  • Er is sprake van schending van de Grondwet wanneer de belastbare grondslag een buitenlands belastingkrediet omvat dat niet daadwerkelijk verrekend werd. Met andere woorden, wanneer het FFB niet verrekend wordt op de verschuldigde belasting, mag dit bedrag niet als een verworpen uitgave beschouwd worden.

Tot slot

De FFB-overschotten mogen voortaan niet meer aan de verworpen uitgaven toegevoegd worden. Door de ongrondwettelijke aard van de maatregel kunnen de Belgische vennootschappen die in het verleden getroffen werden (voor de belastingjaren vanaf 2010), dit jaar een verzoek om ontheffing van ambtswege indienen om het feit dat ze FFB-overschotten aan hun VU toegevoegd hebben te corrigeren. De bezwaarprocedure blijft echter mogelijk voor de betrokken vennootschappen waarvan de belastingen nog niet zijn ingekohierd of minder dan 6 maanden geleden zijn geheven.

Anthony Mauro – Tax Department


Gepubliceerd op 05/05/2014.


 

Did you find this useful?