Article

Finaal verrekenbeding 

KMO-update

Vele ondernemers zijn gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen. De keuze voor dit stelsel kan ingegeven zijn door diverse redenen: het autonome beheer van het vermogen, bescherming van het vermogen van een partner tegen eventuele schuldeisers, zorgen voor het voortbestaan van de onderneming bij een voortijdige beëindiging van de relatie. Allemaal valabele argumenten om dit stelsel te verkiezen boven het wettelijk stelsel.

Het stelsel van scheiding van goederen houdt in dat elke partner zijn eigen vermogen heeft en dit in eigen tempo opbouwt. Over de jaren heen kan er dus een scheeftrekking ontstaan tussen het vermogen van beide echtgenoten.

Dit komt vaak pijnlijk aan het licht bij het overlijden van een partner. De langstlevende partner erft slechts het vruchtgebruik over het vermogen van de andere partner. In tijden van lage rentes en hoge belasting op roerende inkomsten is dit een weinig geruststellend vooruitzicht, zeker voor de economisch minder sterke partner. Vele partners wensen toch een grotere vorm van solidariteit te voorzien, zeker bij een overlijden van één van beiden. Een correctie van het stelsel dringt zich dan op. Dit kan door een gemeenschappelijk vermogen toe te voegen (zogenaamd toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen of TIGV) of door een (finaal) verrekenbeding te voorzien.

Via dit laatste beding, beheert elke partner zijn of haar eigen vermogen zelfstandig, maar bij het overlijden wordt er gedaan alsof ze gehuwd waren onder een stelsel van gemeenschap.

De economisch zwakkere partner krijgt bij het overlijden van de economisch sterkere partner een vordering op deze partner. Door deze vordering wordt de economisch zwakkere partner eigenaar van (een deel van) de goederen van de andere partner. De economisch sterkere partner heeft een schuld die in mindering kan worden genomen van zijn nalatenschap, waardoor bij het eerste overlijden de verschuldigde erfbelasting verminderd wordt. Om te vermijden dat de economisch sterkere partner bij een vooroverlijden van de economisch zwakkere partner erfbelasting verschuldigd is op (een deel van) zijn eigen vermogen wordt het beding vaak optioneel geformuleerd. Zo behoudt men de vrijheid om pas bij het overlijden te kiezen of het beding (en de verrekening) toegepast wordt of niet.

Gezien deze vermogensverschuiving bovendien in de erfbelasting door geen enkele bepaling gevat wordt en dus onbelast is, zijn deze optionele verrekenbedingen al langer een doorn in het oog van de fiscus. De fiscus probeert langs verschillende wegen deze verrekenbedingen aan te vallen en de vermogensverschuiving alsnog te taxeren. Ze argumenteert dat de schuld pas ontstaat op het ogenblik van lichten van de optie (na overlijden), zodat zij de schuld als passief in de nalatenschap van de economische sterkere partner kan verwerpen, of nog dat de schuld louter fictief is,…

Argumenten die door het merendeel van de rechtsleer op basis van valabele argumenten al meermaals weerlegd werden. Jammer genoeg liet het Hof van Cassatie eind 2014 na om hierover duidelijk te scheppen. Hierdoor wordt de burger opnieuw met fiscale onzekerheid geconfronteerd, in afwachting van een uitspraak door het Hof van Beroep te Gent.

Gezien de onduidelijkheid die rond het optioneel finaal verrekenbeding hangt zullen echtgenoten die zich bij een overlijden hierop wensen te beroepen naar alle waarschijnlijkheid rekening moeten houden met een procedure tegen de fiscus.

Voor zij die deze discussie wensen te vermijden kan het nuttig zijn om na te gaan of het finaal verrekenbeding nog wel overeenstemt met hun wensen en behoeften en of het gewenste resultaat niet op een andere wijze bereikt kan worden. Een vermogens- en successieplanning moet immers regelmatig geëvalueerd worden in functie van familiale of economische behoeften en het fiscale landschap.

Thomas Verlinden – Legal Department

Gepubliceerd op 26/02/2016

Did you find this useful?