Article

KMO-update

Voorwaarden fiscale aftrekbaarheid beroepskosten: Echtheid prestaties te bewijzen?

Artikel 49 van het WIB 92 legt enkele voorwaarden op inzake de fiscale aftrekbaarheid van beroepskosten. Één van deze voorwaarden betreft het volgende: “Als beroepskosten zijn aftrekbaar de kosten […] waarvan de belastingplichtige de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeenrecht toegelaten bewijsmiddelen met uitzondering van de eed.”

De interpretatie van deze voorwaarde deed in het verleden al heel wat stof opwaaien.

Men zou kunnen stellen dat de belastingplichtige enkel moet aantonen dat de kosten echt zijn gemaakt (i.e. daadwerkelijk zijn betaald) door middel van bewijsstukken zoals facturen, boekhoudkundige stukken, enz... Dit volgt immers, kort door de bocht, uit de letterlijke vertaling van artikel 49 WIB 92.

Men zou deze voorwaarde ook iets genuanceerder kunnen interpreteren in die zin dat de echtheid van de prestaties eveneens dient te worden aangetoond, bijvoorbeeld door het louter voorleggen van een niet-gesimuleerde overeenkomst en/of facturen.

De belastingadministratie gaat evenwel nog een stap verder. Ze stelt namelijk dat de belastingplichtige de prestaties werkelijk moet aantonen, maar dat het voorleggen van overeenkomsten en facturen op zich niet voldoende is. Deze leveren enkel het begin van bewijs, dat bij voorkeur verder moet worden aangevuld met andere bewijsmiddelen.

Recent heeft het Hof van Cassatie zich hierover uitgesproken (Cass. 15 oktober 2015). De feiten waren de volgende:

Een exploitatievennootschap betaalde aanzienlijke bedragen aan een managementvennootschap voor de uitbating van een bakkerij over de periode 1993-1998. Deze managementvennootschap had geen personeel in dienst, er werden facturen uitgereikt zonder detail van de uitgevoerde prestaties en de omschrijving van de prestaties in de managementovereenkomst werden zeer vaag beschreven.

Volgens de belastingplichtige diende enkel de echtheid van de kost te worden aangetoond, in de enge zin van artikel 49 WIB 92. De belastingplichtige meende dit te kunnen aantonen aan de hand van een managementovereenkomst en facturen. De rechtbank van eerste aanleg en het hof van beroep te Antwerpen gaven de belastingplichtige ongelijk. Volgens de rechters diende de echtheid van de als tegenprestatie geleverde diensten te worden bewezen. De managementovereenkomst en facturen vormden in dit opzicht slechts een begin van bewijs, aan te vullen met versterkende bewijsmiddelen. Volgens het hof van beroep te Antwerpen was dit bewijs onvoldoende aanwezig. De omschrijving van de prestaties in de managementovereenkomst en de details op de facturen waren immers te gering. Bovendien had de managementvennootschap geen personeel in dienst dat de prestaties kon uitvoeren.

Het Hof van Cassatie treedt de rechtbank van eerste aanleg en het hof van beroep te Antwerpen daarin bij. Het feit dat er een managementovereenkomst bestaat en dat er daadwerkelijk facturen werden uitgereikt en vereffend, levert op zich niet het bewijs dat de kosten effectief overeenstemmen met werkelijke geleverde prestaties, hetgeen vereist wordt door artikel 49 WIB 92. Volgens het Hof is het aan de belastingplichtige om dit bewijs te leveren.

Uit deze rechtspraak blijkt nogmaals het belang om een degelijke economische onderbouw te voorzien in het kader van de betaling van management fees en andere vergoedingen. De loutere opmaak van een contract is aan te raden maar volstaat op zich niet, de belastingplichtige dient eveneens aan te tonen dat er een economische werkelijkheid mee gepaard gaat (substance over form - principe).

Michaël Lagrou – Tax Department

Did you find this useful?