Article

Fiscale behandeling auteursrechten: onzekerheid troef

KMO-update

Omtrent welke inkomsten voor het fiscaal (gunstige) regime voor auteursrechten in aanmerking komen heerst reeds enige tijd onzekerheid. Gedurende het laatste half jaar heeft de administratie echter getracht hieromtrent een standpunt in te nemen. Dit standpunt diende echter met de nodige voorzichtigheid behandeld te worden, daar de gepubliceerde circulaire een zeer libertair standpunt vertoonde, terwijl de minister in zijn antwoord op een parlementaire vraag de nodige nuancering trachtte te leggen met betrekking tot dit standpunt.

Recentelijk diende de minister zich dan ook uit te spreken over deze discrepantie tussen het libertaire standpunt van de administratie ingenomen in de gepubliceerde circulaire enerzijds, en zijn antwoord op de parlementaire vraag anderzijds.

Kort samengevat kan gesteld worden dat het verschil tussen het standpunt geformuleerd in de circulaire en het antwoord op de parlementaire vraag zich voornamelijk toespitst op het voorbehoud dat de minister gemaakt heeft in zijn antwoord, met name dat de fiscale administratie enkel de (contractueel gemaakte) verdeling dient te respecteren "voor zover de overeenkomst overeenstemt met de werkelijkheid".

In zijn antwoord op deze tweede parlementaire vraag kiest de minister er voor dit voorbehoud te laten vallen, en zijn standpunt volledig in lijn te brengen met de gepubliceerde circulaire. Zo stelt hij dat "partijen vrij zijn te bepalen welk deel van de vergoeding betrekking heeft op auteursrechten en welk deel op prestaties". Uit het antwoord van de minister blijkt dat zodra er niet kan betwist worden dat er een overdracht van auteursrechten plaatsvind, het de partijen vrij staat om hun vergoeding om te delen of om te slaan (lees: te bepalen).

Men zou durven vermoeden dat met dit antwoord, er eindelijk volledige duidelijkheid ontstaat voor de belastingplichtige omtrent de fiscale behandeling van de auteursrechten in de personenbelasting.

Helaas blijkt dit echter geenszins het geval. In haar gepubliceerd advies (dat in dezelfde periode gepubliceerd werd als antwoord van de Minister van Financiën), herneemt de Dienst Voorafgaande Beslissingen het voorbehoud waar de minister net afstand van neemt.

Zo vertrekt de Dienst Voorafgaande Beslissingen van het standpunt zoals dit ingenomen werd in de gepubliceerde circulaire met betrekking tot de relevante criteria bij het vaststellen of er sprake kan zijn van auteursrechten. Vervolgens vult de rulingcommissie dit standpunt verder aan met het voorbehoud zoals gemaakt door de Minister van Financiën in zijn eerste antwoord, met name dat de overeenkomst door de administratie aanvaard zal worden voor zover deze in overeenstemming is met de werkelijkheid. Specifiek stond in het advies te lezen dat het fiscaal recht gebaseerd is op de werkelijkheid en dat er ter zake moet worden nagegaan of het werkelijk gaat om inkomsten uit de cessie/concessie van auteursrechten.

Dat de Dienst Voorafgaande Beslissingen het eerste antwoord van de Minister bijtreedt en niet het tweede antwoord, kan enkel aanschouwd worden als een gemiste kans om rechtszekerheid voor de belastingplichtige te creëren; dit werd in de rechtsleer dan ook (o.i. terecht) met de nodige kritiek onthaald (zie o.m. Fiscoloog 1421 dd. 04.03.2015).

Wellicht heeft de publicatie van het advies niet enkele de nodige commotie veroorzaakt in de rechtsleer, maar tevens intern binnen de fiscale administratie. Het advies werd ondertussen immers terug verwijderd van de website van de Dienst Voorafgaande Beslissingen.

Men mag verwachten dat er binnen afzienbare tijd een bijgewerkt advies op de website van de Dienst Voorafgaande Beslissingen zal verschijnen, waarvan men mag hopen dat de inhoud in lijn ligt met de gepubliceerde circulaire en het recentste antwoord van de Minister van Financiën. Tot deze datum blijft het voor de belastingplichtige echter onzekerheid troef.

Jarne Boone, jaboone@deloitte.com


Gepubliceerd op 16/06/2015.

Did you find this useful?