Article

De fiscale impact van de nieuwe Boekhoudrichtlijn

KMO-update

Richtlijn 2013/34/EU dd. 26 juni 2013 (de nieuwe “Boekhoudrichtlijn”) werd via de wet dd. 18 december 2015 en het KB dd. 18 december 2015 (beide gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2015) omgezet in onze interne Belgische rechtsorde. Deze richtlijn heeft o.a. tot doel het boekhoudrecht te moderniseren en de financiële verslaggeving te vereenvoudigen. In dit artikel wordt nader toegelicht welke de fiscale impact is voor onze Belgische KMO’s.

Art. 15 W. Venn. maakt op basis van de jaaromzet (exclusief de belasting over de toegevoegde waarde), het balanstotaal en het personeelsbestand het onderscheid tussen grote vennootschappen en kleine vennootschappen.

1.   Verhoging van de drempels

Als gevolg van de Boekhoudrichtlijn werden de drempelbedragen voor de jaaromzet en het balanstotaal verhoogd naar respectievelijk 9.000.000 EUR en 4.500.000 EUR. Hierbij werd de drempelwaarde voor het jaargemiddelde van het personeelsbestand ongewijzigd op 50 gelaten. Meer nog, de regel dat een vennootschap automatisch als groot kwalificeert indien zij meer dan 100 werknemers heeft, wordt definitief van de baan geveegd.

       Art. 15 W. Venn.         OUDE CRITERIA NIEUWE CRITERIA

Jaargemiddelde personeelsbestand

50

50

Jaaromzet (excl. btw)

7.300.000 EUR

9.000.000 EUR

Balanstotaal

3.650.000 EUR

4.500.000 EUR

 

Deze nieuwe drempelbedragen zijn van toepassing op de boekjaren die een aanvang nemen na 31 december 2015.

2.   Invoering van het “vertragend effect”: gewijzigd consistentiebeginsel

Om uit te maken of een vennootschap groot of klein is voor een bepaald boekjaar zal steeds moeten nagegaan worden of zij in de twee voorafgaande boekjaren de criteria al dan niet overschreden heeft (nieuw art. 15 §2 W. Venn.). Er zit dus een soort van vertragingseffect op de overgang van het ene statuut naar het andere, en dit zowel van groot naar klein als van klein naar groot!

In het vorige systeem moest de vennootschap wel gedurende twee boekjaren aan de criteria voldoen om dan gedurende het derde jaar als klein beschouwd te worden, terwijl men de criteria slechts gedurende één jaar moest overschrijden om al onmiddellijk het jaar daarop terug als groot aanzien te worden!

Voor de inwerkingtreding van dit nieuwe vertragingsmechanisme is in een overgangsregeling voorzien: voor het eerste boekjaar dat een aanvang neemt na 31 december 2015 zal nog steeds de oude werkwijze moeten toegepast worden! Het nieuwe vertragingsmechanisme wordt dus met één jaar uitgesteld.

KWALIFICATIE KLEINE VENNOOTSCHAP (nieuw art. 15 W. Venn.)

Boekjaar

1

2

3

4

5

6

7

Meer dan één criteria overschreden?

Nee

Ja

Ja

Nee

Nee

Ja

nee

Klein of groot?

Klein

Klein

Klein

Groot

Groot

Klein

Klein

 

3.   De KMO-voordelen voor meer vennootschappen

Aangezien het merendeel van de fiscale voordelen die worden toegekend aan KMO-vennootschappen (denk o.a. aan de liquidatiereserve, de verhoogde notionele intrestaftrek, geen pro-rata afschrijving op nieuwe investeringen, enz.) rechtstreeks gebaseerd zijn op de drempelbedragen van art. 15 W. Venn. is het dus van uitermate belang deze nieuwe drempelbedragen correct toe te passen. Volgens de eerste berekeningen zouden nu al een bijkomend 1000-tal vennootschappen vanaf 1 januari 2016 als kleine vennootschap aangemerkt worden.

4.   Nieuwe boekhoudkundige consolidatieregels

Conform het oude artikel 15, §5 W. Venn. dienden bovenstaande drempelbedragen beoordeeld te worden o.b.v. de geconsolideerde cijfers indien de betrokken vennootschap “verbonden” was met andere vennootschappen. Deze algemene consolidatieverplichting blijft behouden in het nieuw artikel 15, §6 W. Venn., zij het dat §7 hieraan een belangrijke uitholling toevoegt. Voortaan moet men de drempelbedragen enkel op geconsolideerd niveau bekijken in hoofde van moedervennootschappen en vennootschappen die een consortium vormen.

In hoofde van dochtervennootschappen (die niet op hun beurt een moedervennootschap uitmaken en die evenmin een consortium vormen) dienen de drempelbedragen dus niet meer op geconsolideerd niveau beoordeeld te worden.

Met het oog op de vereenvoudiging van de financiële verslaggeving, is het voortaan ook mogelijk om optioneel gebruik te maken van een vereenvoudigde consolidatiemethode. Concreet betekent deze vereenvoudigde methode dat men voor de beoordeling van de groottecriteria louter de totalen van de omzet en de balanstotalen van al de verbonden vennootschappen mag optellen. In dit geval moeten de criteria van art. 15 W. Venn. betreffende het balanstotaal en de netto-omzet vermeerderd worden met 20% om te beoordelen of deze al dan niet overschreden werden. De verhoogde grensbedragen zijn dan als volgt:

(1)   Jaargemiddelde personeelsbestand: 50

(2)   Jaaromzet (excl. btw): 10.800.000 EUR

(3)   Balanstotaal: 5.400.000 EUR

Inzake personeelsbestand wijzigt er dus niets.

5.   Toch beperkte consolidatie op fiscaal niveau?

Een aandachtig lezer wrijft nu wellicht al in de handen, maar opgelet! Deze beperkte consolidatieverplichting werkt spijtig genoeg niet door op fiscaal niveau. De wetgever heeft er namelijk voor gekozen om bij de toekenning van de fiscale voordelen aan KMO-vennootschappen o.b.v. art. 15 W. Venn. enkel te verwijzen naar het nieuw art. 15, §1 t.e.m. §6. Hierdoor blijft de algemene consolidatieverplichting van §6 vanuit fiscaal oogpunt dus onverminderd gelden!

M.a.w., op fiscaal vlak zal de overschrijding van de drempelbedragen nog steeds op geconsolideerd niveau moeten beoordeeld worden voor alle verbonden vennootschappen, inbegrepen de dochtervennootschappen die geen consortium vormen!

Dit nieuw ontstane schisma tussen fiscale en boekhoudkundige consolidatieverplichtingen kan in de praktijk evenwel de nodige moeilijkheden veroorzaken. We denken voornamelijk aan die verbonden vennootschappen die de toetsing aan de drempelbedragen op boekhoudkundig vlak niet meer op geconsolideerde basis hoeven door te voeren omdat ze een dochteronderneming uitmaken (die geen consortium vormt), maar die de toetsing op fiscaal vlak nog steeds op geconsolideerde basis dienen te beoordelen (louter op basis van hun “verbondenheid”).

6.   Fiscale implicaties

Als dergelijke vennootschappen op boekhoudkundige (niet geconsolideerde) basis klein zijn omdat ze de drempelbedragen op zichzelf niet overschrijden, zal toch nog een consolidatieberekening moeten opgemaakt worden teneinde vast te stellen of de vennootschap al dan niet recht heeft op de fiscale voordelen van een kleine vennootschap o.b.v. art. 15 W. Venn.

Toepassingen hiervan zijn bv. de al dan niet onderworpenheid aan de belasting van 0,4% op de meerwaarde op aandelen of de al dan niet vermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen gedurende de eerste drie boekjaren.

Nog lastiger wordt het wanneer het maatregelen betreft die niet louter fiscaal van aard zijn, maar die ook een boekhoudkundige impact hebben. Zo kan bijvoorbeeld een dochtervennootschap die geen consortium uitmaakt en die op zichzelf de drempelbedragen niet overschrijdt er toe overgaan om op haar nieuwe investeringen van het boekjaar een volledige afschrijvingsannuïteit toe te passen en de bijkomende kosten voor 100% af te schrijven.

Indien deze vennootschap daarentegen op geconsolideerde basis de drempelbedragen wel zou overschrijden en dus fiscaal niet als klein kan aanzien worden, zou ze eigenlijk op haar nieuwe investeringen en de bijkomende kosten enkel een pro-rata afschrijving mogen toepassen! Dit zou dan tot gevolg hebben dat in de fiscale aangifte een afschrijvingsexcedent dient opgenomen te worden ten belope van het gedeelte van de afschrijvingen dat de pro-rata afschrijving overtreft. Dergelijk afschrijvingsexcedent dient dan verder jaar na jaar opgevolgd te worden tot verloop van de afschrijvingstermijn of tot op het ogenblik van vervreemding van het actiefbestanddeel vooraleer de afschrijvingstermijn verlopen is, en dit in principe voor elke investering afzonderlijk!

7.   Nieuw statuut: de microvennootschappen

Met de verhoging van de drempelbedragen werd meteen ook een nieuw statuut gecreëerd: de microvennootschap (nieuw art. 15/1 W. Venn.). Dit statuut wordt toegekend aan vennootschappen die op datum van de jaarafsluiting geen dochtervennootschap of moedervennootschap zijn en die niet meer dan één van volgende criteria overschrijden:

·         Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 10

·         Jaaromzet, (exclusief de belasting over de toegevoegde waarde): 700.000 EUR

·         Balanstotaal: 350.000 EUR

 

Ook hier geldt hetzelfde vertragingsmechanisme als voor de beoordeling van de criteria voor de kleine vennootschappen.

De microvennootschap is hierdoor een subcategorie van de kleine vennootschap, waardoor microvennootschappen automatisch in aanmerking komen voor de fiscale KMO-voordelen.

Verwacht wordt dat in de toekomst meer en meer bepaalde fiscale voordelen enkel zullen toegekend worden aan microvennootschappen. Met de invoering van de nieuwe programmawet dd. 18/12/15 kan een microvennootschap alvast genieten van een verhoogde belastingvermindering in het kader van de tax shelter voor startende ondernemingen (45% i.p.v. 30%) en een verhoogde gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor startende ondernemingen (20% i.p.v. 10%).

8.   Onderzoek en ontwikkeling

Ook op het vlak van de kosten van O&O heeft de omzetting van de Boekhoudrichtlijn een zekere impact. Vanaf 1 januari 2016 zal het namelijk niet meer mogelijk zijn om de kosten van onderzoek te activeren en af te schrijven. Kosten van ontwikkeling daarentegen kunnen wel nog verder geactiveerd en afgeschreven worden. Dit heeft tot gevolg dat er voor kosten van onderzoek niet meer kan genoten worden van de investeringsaftrek of het belastingkrediet voor O&O vermits deze enkel kunnen toegepast worden op activa die afschrijfbaar zijn (en minstens over drie jaar worden afgeschreven). De investeringsaftrek of het belastingkrediet kunnen dus enkel nog toegepast worden voor kosten van ontwikkeling.

Volgens het verslag aan de Koning zou het evenwel toch mogelijk blijven om kosten van onderzoek te activeren, voor zover die kosten onmiddellijk voor het geheel worden afschreven in één en hetzelfde boekjaar. Deze activering, gevolgd door de integrale afschrijving zou als juridische basis moeten dienen voor de toepassing van de investeringsaftrek en het belastingkrediet voor onderzoek & ontwikkeling. Voor de toepassing van de investeringsaftrek is echter vereist dat het gaat om activa die over minstens 3 jaar worden afgeschreven.

Bij activering en onmiddellijke integrale afschrijving, zou er dan aan gedacht kunnen worden om een (vrijwillig) afschrijvingsexcedent op te nemen onder de belaste reserves en de afschrijvingstermijn op die manier fiscaal over drie jaar te spreiden. Via deze werkwijze zou men dan toch nog toepassing kunnen maken van de investeringsaftrek of het belastingkrediet. Het zal afwachten zijn hoe de fiscale wetgever en haar administratie hiermee zal omspringen.

BESLUIT

De omzetting van de Boekhoudrichtlijn heeft wel degelijk een fiscale impact. Zo heeft verhoging van de drempelbedragen van art. 15 W. Venn. tot gevolg dat wellicht een bijkomend aantal vennootschappen zal kunnen genieten van de fiscale KMO-voordelen. Hierbij moet men op fiscaal vlak echter wel de algemene consolidatieverplichting blijven respecteren.

Een nieuw statuut van microvennootschappen kan deze fiscale voordelen uitbreiden of verhogen. Kosten van onderzoek zouden niet meer kunnen geactiveerd worden waardoor de investeringsaftrek en het belastingkrediet voor onderzoek in het water valt. Maar door de activering mits onmiddellijke en integrale afschrijving zou ook hier een (eerder bedenkelijke) oplossing gevonden zijn.

 

Dirk Wanten & Arnaud Vandeputte – Tax Department

Did you find this useful?