Article

KMO-update

Forfaitair voordeel bewoning beperken tot “de werkelijke behoeften”

In de circulaire van 2 april 2014 bespreekt de belastingadministratie de draagwijdte van de uitzonderingsbepaling inzake het bepalen van het belastbaar voordeel ingeval de bewoning door een bedrijfsleider of werknemer, van een onroerend goed dat de persoonlijke behoeften ‘duidelijk’ te boven gaat, wordt opgelegd door de werkgever of vennootschap.

Artikel 18, §3, punt 2, al. 3 KB/WIB92 luidt als volgt: “wanneer het betrekken van een goed wordt opgelegd en de belangrijkheid van dat goed duidelijk de persoonlijke behoeften van de betrekker, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin, te boven gaat, moet bij de vaststelling van het belastbare voordeel slechts rekening worden gehouden met het kadastrale inkomen van een onroerend goed dat aan de werkelijke behoeften van de betrekker beantwoordt”.

Forfaitaire waardering

Belastbare voordelen die anders dan in geld zijn verkregen, worden in principe gewaardeerd tegen de werkelijke waarde. Echter, de terbeschikkingstelling van een onroerend goed uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van een werknemer of bedrijfsleider, wordt om praktische redenen forfaitair vastgesteld. De waarde van het voordeel is in principe gelijk aan 100/60 van het geïndexeerde KI verhoogd met 1,25 indien het KI niet meer bedraagt dan 745 EUR en met 3,8 in het andere geval. Indien het om een gemeubileerde woning gaat, wordt het voordeel verhoogd met 2/3.

In 2012 werd door de Minister van Financiën bevestigd dat slechts het KI, dat overeenstemt met het gedeelte dat voor persoonlijke doeleinden wordt gebruikt, in aanmerking komt voor de berekening van het voordeel (dus niet vergaderzalen, onthaalruimte, wachtzalen, ed.) en dat de opsplitsing van het KI een bevoegdheid is die aan de Administratie van het Kadaster toekomt. In het kader van dit antwoord werd de Minister tevens ondervraagd inzake de interpretatie van de begrippen voorkomend in de uitzonderingsbepaling ingeval van opgelegde bewoning (en dit standpunt wordt nu bevestigd in een circulaire).

“Opgelegd”

De circulaire geeft een nogal strikte interpretatie aan de opgelegde bewoning: de werknemer/bedrijfsleider dient het onroerend goed verplicht te bewonen wegens dwingende redenen verbonden aan de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de werkgever/vennootschap en er mag geen alternatief zijn dat beantwoordt aan de reële behoeften van de betrekker. Een contractuele eis (bv. arbeidsovereenkomst) tot bewoning kan de administratie overtuigen, maar de belastingplichtige blijft er steeds toe gehouden om de dwingende redenen en een gebrek aan een alternatief aan te tonen. Praktisch lijkt het echter eerder moeilijk om aan te tonen dat er zich voorheen geen andere opportuniteiten voordeden ingeval de vennootschap reeds beschikt over een (te ruim) bewoonbaar goed.

De administratie haalt volgende voorbeelden aan:

  1. een filiaalhouder van een bankagentschap die contractueel verplicht is om in het appartement boven of tegenover het agentschap te wonen;
  2. en onderhouds- en toezichtspersoneel dat in geval van defecten snel ter plaatse moet zijn, zonder afhankelijk te zijn van een vervoermiddel.

De circulaire specifieert dat bedrijfsleiders niet geacht worden om vanzelfsprekend dicht bij hun plaats van tewerkstelling te moeten wonen, doch wordt het beperken van het belastbaar voordeel aanvaardt door de Administratie indien de activiteit van de vennootschap zwaar zou lijden of onmogelijk zou worden moest de bedrijfsleider de betreffende woning niet betrekken. De verplichting moet derhalve steeds rusten op concrete en bewezen beroepsmatige redenen bij de vennootschap.

"De behoeften te boven gaan”

Volgens de wettekst moet de woning de persoonlijke behoeften van de betrekker ‘duidelijk’ overschrijden, i.e. vaststaand, evident onbetwistbaar en zichtbaar. Voor het meten van de persoonlijke behoeften wordt verwezen naar de maatschappelijke stand en de samenstelling van het gezin van de bewoner. Noteer dat volgens de circulaire onder andere rekening moet gehouden worden met de bewoonbare oppervlakte, het aantal vertrekken, de plaats waar de woning is gelegen, het type woning en het uitrustingsniveau. De circulaire wijst erop dat de interpretatie rekening moet houden met wat ‘gangbaar’ is in België. Bijv. het feit dat ieder kind van het gezin over een eigen kamer beschikt, wordt in België als gangbaar of normaal beschouwd.

Beperking forfaitair voordeel

Uit de bijzondere gevallen vermeldt in de circulaire (pastorieën en conciërgewoningen) kan worden afgeleid dat de beperking van het forfaitair voordeel bestaat in het herleiden van het KI in functie van de werkelijke persoonlijke behoeften. Concreet moet de vergelijking gemaakt worden met eenzelfde type woning die volgens bovenstaande criteria ‘past’ bij de werknemer/bedrijfsleider gelegen in dezelfde of een aangrenzende wijk.

Lise Coteur, Tax & Legal Services


Gepubliceerd op 08/07/2014.


 

Did you find this useful?