Article

Kredieten voor kmo’s: nieuwe regelgeving

KMO-update

Om de economie in de mate van het mogelijke aan te wakkeren en opnieuw op gang te brengen is het noodzakelijk dat kmo’s over voldoende financiële middelen beschikken.

In deze context heeft de wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen (hierna de ‘wet’ genoemd), die tot doel heeft het voor kmo’s gemakkelijker te maken om toegang te krijgen tot krediet, een aantal problemen onder handen genomen die werden vastgesteld op het vlak van communicatie, informatie en transparantie tussen de onderneming op zoek naar financiering en de kredietverstrekker.

De doelstellingen van de wet zijn weliswaar lovenswaardig, maar het risico bestaat dat de economische spelers ontgoocheld zullen zijn over de verwezenlijking van die doelstellingen!

We analyseren enkele sleutelelementen van de wet.

Het leidmotief van de wet, de informatieplicht, staat centraal en moet door de kredietgever zowel in het begin (stroomopwaarts) als op het einde (stroomafwaarts) van de procedure van krediettoekenning in acht worden genomen.

A. Een verplichting stroomopwaarts …

Krachtens de wet moet de kredietgever de pertinente informatie vragen die hij noodzakelijk acht om de haalbaarheid van het beoogde project, de financiële toestand, de terugbetalingsmogelijkheden en de lopende financiële verbintenissen van de kmo te beoordelen.

Die informatie heeft niet alleen betrekking op de onderneming die een kredietovereenkomst wenst te sluiten, maar ook op de steller van een persoonlijke zekerheid tot garantie van het krediet.

In het kader van de toekenning van het krediet moet de kredietgever echter steeds op zoek gaan naar het soort krediet dat het best beantwoordt aan de noden van de kmo. De wetgever lijkt dan ook een geschiktheidstest op te leggen naar het voorbeeld van dergelijke test voor retailcliënten op het vlak van financiële instrumenten.

Wordt deze verplichting niet in acht genomen, dan kan de rechter bevelen dat het krediet kosteloos wordt omgezet in een krediet dat beter aan de behoeften beantwoordt.

Dit principe zou echter aanzienlijke praktische en juridische moeilijkheden kunnen meebrengen.

Enerzijds bepaalt de wet dat de omzetting niet wordt beschouwd als een herfinanciering van de schuld. De bestaande waarborgen en zekerheden blijven bestaan. Wat gebeurt er dan echter indien, als gevolg van de door de rechter bevolen omzetting, de termijn voor aflossing van het krediet wordt verlengd van 3 tot 5 jaar? En wat met de zekerheden? Op basis van het bovenstaande worden de oorspronkelijke zekerheden gehandhaafd en dus verlengd!

Anderzijds moet, in principe, de marginale toetsing (i.e. het feit waarbij de rechter zich plaatst op het ogenblik waarop het krediet wordt afgesloten) toepasselijk zijn. Dit principe vereist dus dat de kredietgever bepaalde gegevens nauwgezet verwerkt en bewaart, maar in fine bestaat het risico dat de kosten die daarvan het gevolg zijn onvermijdelijk moeten worden doorgerekend aan de kredietnemer.

B. En stroomafwaarts …

Wordt een krediet geweigerd, dan stelt de kredietgever of, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar de onderneming in kennis van de belangrijkste elementen waarop deze weigering is gebaseerd of die de risico-inschatting hebben beïnvloed. Deze kennisgeving dienst steeds op een transparante wijze en in voor de onderneming verstaanbare bewoordingen te worden meegedeeld, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk. De onderneming kan een schriftelijke verduidelijking van de mondelinge kennisgeving verkrijgen. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de contractuele vrijheid van de kredietgever en roept geen recht op krediet in het leven voor de onderneming.

Naast deze informatieplicht moeten we nu ook even stilstaan bij de mogelijkheid die aan de kredietnemer wordt geboden om het afgesloten krediet vervroegd af te lossen, ook wanneer dit krediet voor bepaalde duur is gesloten.

Overeenkomstig de wet kan de kredietnemer het krediet altijd, volledig of gedeeltelijk, vervroegd terugbetalen voor zover hij ten minste tien werkdagen vóór de terugbetaling een aangetekend schrijven verstuurt naar de kredietgever. De kredietgever mag enkel een wederbeleggingsvergoeding aanrekenen (zie hierna) en mag geen bijkomende voorwaarden opleggen. Elk beding dat een bijkomende vergoeding oplegt, is van rechtswege nietig.

De wet beperkt nu het bedrag van die wederbeleggingsvergoeding en maakt het volgende onderscheid volgens het bedrag van het krediet:

  • Kredieten van maximaal 1 miljoen EUR zijn onderworpen aan dezelfde regeling als de leningen op interest. De wederbeleggingsvergoeding is beperkt tot zes maanden interesten, berekend op het terugbetaald bedrag en tegen het vastgesteld percentage.
  • Voor kredieten van meer dan 1 miljoen EUR wordt het bedrag van de wederbeleggingsvergoeding contractueel vastgesteld tussen de kredietgever en de kmo, met dien verstande dat er rekening moet worden gehouden met de transparante berekeningsmodaliteiten zoals die in de gedragscode worden beschreven.

Er wordt geen rekening gehouden met tegenstrijdige bepalingen inzake wederbelegging. De rechter past dan de wettelijk voorziene maximale vergoeding (zes maanden interesten) toe of bepaalt, voor kredieten van meer dan 1 miljoen EUR, de vergoeding ex aequo et bono. In dit opzicht valt te betreuren dat de wet het mechanisme van wederbeleggingsvergoeding niet verder heeft gewijzigd om meer bepaald rekening te houden met de periode waarin de vervroegde terugbetaling plaats heeft.

In de hierna genoemde gevallen is er geen enkele vergoeding verschuldigd: vervroegde terugbetaling in uitvoering van een verzekeringsovereenkomst die contractueel de terugbetaling van het krediet waarborgt, de hergroepering van bestaande kredieten bij dezelfde kredietgever of de niet-substantiële wijziging van de kredietovereenkomst.

In weerwil van deze nieuwe wet, die een belangrijke stap vertegenwoordigt om kmo’s vlotter toegang te geven tot financiering, moet elke ondernemer in de praktijk zeer aandachtig zijn voor bepaalde elementen van de kredietovereenkomst wanneer de kredietinstelling die aan hem voorlegt. Die overeenkomsten, die vaak worden voorgesteld als aansluitingscontracten (i.e. de tekst van het contract wordt opgelegd en de kredietnemer kan daarover niet onderhandelen), bevatten immers bepalingen waaraan elke kredietnemer aandacht zou moeten besteden.

Als voorbeeld verwijzen we naar de zeer grote draagwijdte van de door de kredietinstellingen gevraagde waarborgen.

Zo wordt vaak gevraagd dat het krediet wordt gewaarborgd door een persoonlijke zekerheid (i.e. naast het vermogen van zijn vennootschap, die het krediet aangaat, moet de ondernemer ook zijn persoonlijk vermogen verbinden, zeer vaak voor bedragen die aanzienlijk zijn in vergelijking met het gevraagde krediet).

In werkelijkheid maakt de toekenning van dergelijke persoonlijke zekerheden een einde aan de beperkte aansprakelijkheid van de vennoten / aandeelhouders die, als gevolg van de toekenning van die zekerheden, hun persoonlijk vermogen verbinden, terwijl ze destijds en net om dit persoonlijk vermogen te beschermen, een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (nv, bvba, cvba) hadden opgericht.

Een ander voorbeeld van die uitbreiding tot in het uiterste van de waarborgen tot het uiterste zijn de bepalingen die het voor de kredietinstelling mogelijk maken om zich tot andere ondernemingen (holding, dochteronderneming …) te wenden in het geval waarin de vennootschap die het krediet aangaat in gebreke zou blijven op het vlak van de aflossing van het krediet of om de niet-afgeloste bedragen rechtstreeks te compenseren met de bedragen op de bankrekeningen van de onderneming indien zij ook haar rekening bij de kredietinstelling heeft.

Ondernemers moeten zich er dan ook voor hoeden om dergelijke overeenkomsten blind af te sluiten in de euforie die gepaard gaat met de toekenning van het krediet; het is immers in dit document dat de grootste risico’s zich bevinden.

Joachim Colot – jcolot@deloitte.com


Gepubliceerd op 30/06/2015.

Version française
Did you find this useful?