Article

KMO-update

Marktrentevoet bij vorderingen in rekening-courant

Om de marktrentevoet vast te stellen in het kader van vorderingen in rekening-courant van de zaakvoerder op zijn vennootschap, verwijst de rechtbank naar de referentierentevoet inzake de toekenning van voorschotten in rekening-courant door vennootschappen aan haar zaakvoerders.

Rb. Bergen 17 maart 2014

Een zaakvoerder had een vordering in rekening-courant op zijn vennootschap. Op grond van de Wet Betalingsachterstand Handelstransacties (W.B.H.) betaalde de vennootschap hierop 12% interest aan de zaakvoerder.

Volgens de fiscale administratie moest de marktrente bepaald worden op basis van het gemiddelde van de rentevoeten voor kredieten aan niet-financiële vennootschappen, zoals gepubliceerd door de Nationale Bank van België en verhoogd met 2,5%. In casu resulteerde dit in een rentevoet van 7,95%.

De rechtbank van eerste aanleg te Bergen heeft beide berekeningswijzen onderzocht en vervolgens afgewezen.

Analyse

De bepaling van de fiscale rentevoet is uitermate belangrijk aangezien deze een impact heeft op de fiscale aftrekbaarheid van de betaalde interesten bij de vennootschap. Interesten zijn namelijk slechts aftrekbaar indien ze niet hoger zijn dan het bedrag vastgesteld op grond van een marktconforme rentevoet. Bovendien kunnen bovenmatige interesten betaald aan bepaalde personen, zoals een zaakvoerder, in sommige gevallen geherkwalificeerd worden als uitgekeerde dividenden wat tevens de niet-aftrekbaarheid voor de vennootschap met zich meebrengt.

De toepassing van de interestvoet op basis van de W.B.H. vereist enerzijds een vergoeding voor handelstransacties en anderzijds dat deze transactie plaats dient te vinden tussen twee ondernemingen. De rechtbank oordeelde dat aan deze vereisten niet werd voldaan omdat (i) het creditsaldo van de rekening-courant niet onmiddellijk kon worden gelinkt aan een handelstransactie en (ii) de zaakvoerder niet als ‘onderneming’ kon worden gekwalificeerd omdat hij geen organisatie is handelend “in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit”.

Het standpunt van de fiscale administratie kon volgens de rechtbank ook niet worden gevolgd. De relatie tussen zaakvoerder en vennootschap is niet te vergelijken met de relatie tussen financiële instellingen en hun cliënten.

Na afwijzing van voormelde berekeningswijzen heeft de rechtbank geoordeeld dat de correcte rentevoet dient te worden vastgesteld op basis van de referentievoet die wettelijk bepaald is voor het berekenen van het voordeel van alle aard, voor bijvoorbeeld een zaakvoerder, indien deze een renteloze lening krijgt van zijn vennootschap. In casu bedroeg deze 10,40%. Ter informatie, voor aanslagjaar 2014 bedroeg deze referentierentevoet 8,80%.

Conclusie

Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank te Bergen een middenweg heeft gekozen wat betreft de berekeningswijze van de marktrentevoet van vorderingen in rekening-courant van de zaakvoerder op zijn vennootschap. De door de rechtbank gebruikte referentievoet is nog redelijk hoog, maar ook niet onlogisch, aangezien deze ook in de omgekeerde situatie in fiscale zaken zou worden toegepast, namelijk indien de vennootschap een vordering zou hebben op de zaakvoerder.

Bart Verhelst, Deloitte


Gepubliceerd op 17/12/2014.

Did you find this useful?