Article

KMO-update

Nieuwe (3e) circulaire met betrekking tot de incorporatie van reserves

Recentelijk heeft de administratie een nieuwe circulaire gepubliceerd die duidelijkheid moet verschaffen rond enkele openstaande vragen met betrekking tot de incorporatie van reserves. Meer bepaald gaat deze circulaire dieper in op de problematiek van latere kapitaalverminderingen binnen de 4- of 8-jarige “sperperiode”.

Prioritaire aanrekening

Artikel 537, 5e lid, WIB92 stipuleert dat kapitaalverminderingen in eerste instantie aangerekend dienen te worden op de geïncorporeerde belaste reserves. De bedoeling van de wetgever is dan ook duidelijk; om de bijkomende roerende voorheffing te vermijden dient men zijn volledige kapitaal te handhaven gedurende de 4- of 8-jarige sperperiode.

Te bekijken per aandeelhouder en per aandeel

Daar elke aandeelhouder vrij is om geheel of gedeeltelijk tot incorporatie over te gaan, zal men bij een latere kapitaalvermindering ook rekening dienen te houden met de oorsprong van zijn inbreng in het kapitaal. Zodoende zal “de aanvullende RV die eventueel verschuldigd is naar aanleiding van een vermindering van het maatschappelijk kapitaal worden bepaald per aandeelhouder en, voor elke aandeelhouder, per aandeel dat dividenden oplevert”.

Enkel bij kapitaalvermindering

Verder verduidelijkt de circulaire dat de bijkomende roerende voorheffing enkel verschuldigd zal zijn bij een latere kapitaalvermindering, en niet bij een gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen (overeenkomstig artikel 187 en 209, WIB92). Dit uiteraard behoudens de toepassing van de algemene antimisbruikbepaling vervat in artikel 344, WIB92.

2 maatregelen dicteren een prioritaire aanrekening bij een vroegtijdige kapitaalvermindering

Een probleem kan zich verder stellen indien de vennootschap naast een incorporatie van belaste reserves in het kapitaal ook gebruik gemaakt heeft van de maatregel voorzien in artikel 269, §2, WIB92, met name de uitgifte van nieuwe aandelen die recht geven op een verlaagde aanslagvoet van de roerende voorheffing. Deze maatregel bevat immers ook een bepaling van prioritaire aanrekening bij latere kapitaalverminderingen.

In een parlementaire vraag dd. 08.01.2014 werd dan ook gevraagd op welk kapitaal een vennootschap in voorkomend geval haar kapitaalvermindering dient aan te rekenen. De circulaire verduidelijkt nu dat de vennootschap bij gebrek aan een wettelijk voorschrift terzake, vrij is aan te duiden op welk kapitaal zij die kapitaalvermindering fiscaal aanrekent.
 
Aanvullende roerende voorheffing

Indien de vennootschap vroegtijdig (dit wil zeggen binnen de 4- of 8-jarige sperperiode) overgaat tot een kapitaalvermindering, zal er bijkomende roerende voorheffing verschuldigd zijn. Uit de circulaire blijkt nu dat de bijkomende roerende voorheffing (15% - 10% - 5%) toegepast dient te worden “op het netto-bedrag van het dividend waarop oorspronkelijk 10% RV werd ingehouden”. Dit impliceert aldus dat de bijkomende roerende voorheffing slechts verschuldigd is op het geïncorporeerde bedrag, zijnde 90% van de oorspronkelijke belaste reserves.

Jarne Boone, Tax & Legal Services


Gepubliceerd 15/04/2014.


 

Did you find this useful?