Article

KMO-update

Nieuwe regels rond bijzondere RSZ-bijdragen op voertuigen: een ommekeer voor het bestelwagenpark?

Recent voerde de RSZ-administratie een versoepelde regeling in omtrent de CO2-solidariteitsbijdragen voor utilitaire voertuigen.

Voorheen was de RSZ zeer strikt wat betreft de voertuigen die een onderneming aan zijn werknemers ter beschikking stelde. Enkel voortuigen die louter voor professionele doeleinden werden gebruikt, waren vrijgesteld van de RSZ-bijdragen. Van zodra een werknemer met het hem ter beschikking gestelde voertuig een privé-verplaatsing maakte, was dit voertuig onderworpen aan de regeling omtrent de CO2-solidariteitsbijdragen. Ook woon-werkverplaatsingen werden door de RSZ beschouwd als een privéverplaatsing.

Woon-werkverplaatsingen worden gedefinieerd als verplaatsingen van de woonplaats naar een vaste plaats van tewerkstelling. Van een vaste plaats van tewerkstelling is sprake als volgende voorwaarden zijn vervuld:

  • de werknemer levert effectief prestaties van enige omvang op die plaats (eigen bedrijf, werf, klant,…)
  • het voertuig rijdt tijdens het jaar minstens 40 dagen naar eenzelfde plaats, ongeacht of deze dagen op elkaar volgen of niet

De bewijslast van dit louter professionele gebruik, en bijgevolg de afwezigheid van verplaatsing in de woon-werk of privésfeer, lag bovendien bij de onderneming zelf die niet alleen moest kunnen bewijzen dat privégebruik van deze voertuigen verboden was, maar dat de naleving van deze afspraken ook werd gecontroleerd, bijvoorbeeld op basis van het bijhouden van een kilometeradministratie of via een Track&Trace systeem.

Van zodra er toch 1 kilometer werd afgelegd die geen zuiver professionele verplaatsing betreft, waren de RSZ-bijdragen op dit voertuig verplicht. Bijgevolg waren ondernemingen die aan hun werknemers camionettes ter beschikking stelden om ’s morgens, vanuit hun woonplaats gedurende minstens 40 dagen per jaar naar dezelfde werf te rijden, verplicht om voor deze voertuigen CO2-solidariteitsbijdragen te betalen.

Betaalde de onderneming de RSZ-bijdragen op de voertuigen die ook privé werden gebruikt niet, dan stelden zij zich bloot aan een sanctie die gelijk is aan het dubbele van de verschuldigde bijzondere RSZ-bijdrage op het voertuig. Deze sanctie kan verminderd worden met 50 % indien alle van de onderneming vooraf vervallen sociale zekerheidsbijdragen zijn betaald en de aangifte daartoe is ingediend en men het bewijs levert van uitzonderlijke omstandigheden die het niet-betalen van de RSZ-bijdrage op het privé gebruikte voertuig kunnen rechtvaardigen.

Voortaan beoordeelt de RSZ de verschuldigdheid van de CO2-solidariteitsbijdragen niet enkel meer op basis van het type verplaatsing maar ook op basis van het type voertuig waarmee de werknemer in kwestie de verplaatsing doet.

Voor wat betreft de gewone voertuigen (personenwagens, wagens voor dubbel gebruik, voertuigen die aanhangwagens trekken, …), verandert er niets aan de regeling. Voor elke wagen waarmee een privéverplaatsing wordt gemaakt, waaronder ook woon-werkverplaatsingen worden begrepen, zal de CO2-solidariteitsbijdragen nog steeds verschuldigd zijn. De enige, bestaande, uitzondering hierop is de woon-werkverplaatsing in het kader van collectief vervoer.

Voor de utilitaire voertuigen, heeft de RSZ de spelregels aangepast. Utilitaire voertuigen zijn de voertuigen die door de fiscus gekwalificeerd worden als lichte vracht zijnde voertuigen met een MTM van 3.500 kg die aan een reeks technische vereisten voldoen (bv. pick-up).

Indien een werknemer van de onderneming een utilitair voertuig ter beschikking krijgt waarmee hij naast de werk-werkverplaatsingen, ook woon-werkverplaatsingen aflegt, is de onderneming voor dit voertuig geen CO2-solidariteitsbijdragen verschuldigd. Woon-werkverplaatsingen, ongeacht of de werknemer met dit utilitaire voertuig elke werkdag van het jaar vanuit zijn woning naar dezelfde werkplaats rijdt, worden door de RSZ voor dit type van voertuig immers niet langer als een privéverplaatsing aangemerkt. Ook wanneer er zeer uitzonderlijke privéverplaatsingen worden gemaakt met het utilitair voertuig (bv. voor een verhuis van de werknemer zelf of diens gezinsleden), is het voertuig niet onderworpen aan CO2-solidariteitsbijdragen.

De inspectiediensten kunnen echter nog wel steeds aantonen dat er toch een privégebruik, dat verder gaat dan louter uitzonderlijk privégebruik, is van het utilitaire voertuig. Dit mogen zij bewijzen met alle middelen van recht.

Concreet is het nieuwe systeem van de CO2-solidariteitsbijdrage samen te vatten als volgt:

AARD VERPLAATSING

TYPE VOERTUIG

CO2- BIJDRAGE?

 

 

Woon-werk

 

 

Gewoon voertuig

 

JA

 

Uitz.: geen vaste plaats van TWS

 

Utilitair voertuig

 

 

NEE

 

 

Privéverplaatsing

 

Gewoon voertuig

 

JA

 

Uitz.: Bewijs belastingplichtige dat er geen privégebruik is

 

Utilitair voertuig

 

NEE

 

Uitz.: bewijs inspectiediensten dat het geen louter uitzonderlijk privégebruik is.


Deze nieuwe regeling brengt wel een aantal praktische gevolgen mee voor de onderneming en die best op de TO DO-lijst van de bedrijfsleider worden gezet:

  • het is aan de te raden dat de ondernemingen hun wagenpark evalueren en nagaan welke voertuigen onder deze regeling vallen. Dit dient te worden doorgegeven aan het sociaal secretariaat zodat de betaling van de CO2-solidariteitsbijdragen kan worden stopgezet voor de toekomst.
  • de nieuwe regeling kan eveneens retroactief worden toegepast. Indien een onderneming in het verleden CO2-solidariteitsbijdragen heeft betaald voor utilitaire voertuigen waarmee enkel puur professionele verplaatsingen en woon-werkverplaatsingen gebeurden, zonder dat het voertuig verder privé mocht worden gebruikt, kan hij deze onterecht verschuldigde bijdragen van de RSZ terugvorderen. Hierbij geldt de normale verjaringstermijn van 3 jaar, welke begint te lopen vanaf de laatste dag van het betrokken kwartaal.

Om deze onterecht betaalde bijdragen terug te vorderen vereist de RSZ dat de onderneming een schriftelijke regularisatieaanvraag indient, die volgende elementen moet bevatten:

  • Het bedrag van de bijdragen die worden teruggevraagd, voor welke kwartalen en wat de reden hiervoor is;
  • Een akkoord verklaring van of een overeenkomst met de werknemer omtrent het verbod op privégebruik van het ter beschikking gestelde voertuig;
  • Een bewijs van het systeem waarmee de onderneming de effectieve controle op dit verbod uitoefende. Zo zal men bijvoorbeeld de rittenadministratie die werd bijgehouden dienen voor te leggen aan de RSZ.

Het overwegen waard dus!

Emilie Ickroth, Tax & Legal Services


Gepubliceerd op 16/09/2014.

Did you find this useful?