Article

KMO-update

Nieuwe strengere betalingstermijnen opgelegd door de Wet?

Achterstallige betalingen vormen steeds, zeker bij KMO’s, een oorzaak van liquiditeitsspanningen en soms later van faillissement. Vele van die ondernemingen lijken het nochtans het moeilijk te vinden om bij hun klanten die betalingen af te dwingen zonder de commerciële relaties te benadelen.

De nieuwe Europese richtlijn van 2011 werd op 22 november 2013 omgezet in de nieuwe wet betalingsachterstand bij handelstransacties in België. De wetgever ging verder dan het louter oplappen van de wet van 2002 en zorgt er hierdoor voor dat de schuldeisers sterker in hun schoenen staan wanneer ze geconfronteerd worden met wanbetalers, ook en niet in het minst wanneer dat overheidsinstanties zijn.

De wet is van toepassing op betalingen tot vergoeding van handelstransacties afgesloten tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheden waarbij de schuldenaar de overheidsinstantie is. Het begrip handelstransacties moet ruim ingevuld worden zodat niet enkel het leveren van goederen of diensten hieronder vallen, maar ook het ontwerp en de uitvoering van openbare werken en bouw- en civieltechnische werken.

Uitgangspunt is nog steeds de contractuele vrijheid van de partijen maar deze wordt nu wel in zekere mate begrensd.

Transacties tussen ondernemingen

Wanneer partijen geen betalingsregeling overeenkomen ( hetzij via schriftelijke overeenkomst hetzij impliciet bv. door het aanvaarden van de algemene voorwaarden) dan geldt de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen.

De wet bepaalt dat wanneer partijen een andere betalingstermijn overeenkomen, daarbij steeds de billijkheid moet worden gerespecteerd. Zo kan op basis van billijke criteria de overeengekomen betalingstermijn zelfs meer dan 60 kalenderdagen bedragen. Voor de beoordeling van het “kennelijk onbillijk karakter” voorziet de wet dat de rechter onder meer zal nagaan (1) of het contractueel beding een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van partijen ten nadele van de schuldeiser en (2) of er objectieve redenen zijn om die afwijking te verantwoorden.

Zo worden bedingen die interesten voor betalingsachterstand uitsluiten als kennelijk onbillijk beschouwd.

Daarnaast wordt ook een maximumduur opgelegd van 30 kalenderdagen voor de aanvaardings- of verificatieprocedure die het betalen van de factuur voorafgaat, ook hier kan worden van afgeweken wanneer dat de toets van de billijkheid doorstaat.

De regeling die voordien bestond omtrent de moratoire interesten blijft vrijwel ongewijzigd met als uitzondering dat er nu uitdrukkelijk bepaald wordt dat wanneer de schuldenaar een overheid is, sowieso de wettelijke interest van toepassing is.

Als oplossing voor de hoge invorderingskosten waar KMO’s mee kampen voorziet de wet dat men van rechtswege en zonder ingebrekestelling recht heeft op een forfaitaire vergoeding van € 40 voor de eigen invorderingskosten. Daarnaast maken ze eveneens aanspraak op een redelijke schadeloosstelling voor alle overige invorderingskosten die hun oorzaak vinden in de laattijdige betaling. Denk hierbij aan de kosten voor een advocaat of een incassobureau.

Transacties tussen ondernemingen en overheden

Voor transacties tussen ondernemingen en overheden waarbij de overheid de schuldenaar is, worden zeer uitdrukkelijk in strengere regels voorzien. Hoewel contractueel ook hier is bepaald dat kan afgeweken worden van de wettelijke betalingstermijn en de maximumduur voor de aanvaardingsprocedure voor zover dat billijk is, is in de wet voorzien dat de betalingstermijn voor de overheid als schuldenaar nooit meer kan bedragen dan 60 kalenderdagen.

De nieuwe regels zijn sinds 10 december 2013 van toepassing en voorziet dat ze ook van toepassing is op betalingen in uitvoering van overeenkomsten gesloten, vernieuwd of verlengd vanaf 16 maart 2013. Aan de ondernemingen om ze te implementeren en af te dwingen.

Liesl Molinarolli, Tax & legal Services


Gepubliceerd op 02/06/2014.


 

Did you find this useful?