Article

Het normale karakter van financieringsvehikels in het kader van notionele interestaftrek bevestigd

KMO-update

Reeds gedurende enige tijd tracht de fiscus structuren die een optimalisatie van notionele intrestaftrek bewerkstelligen aan te vallen op basis van artikel 207, lid 2 WIB92, dat stelt dat geen notionele intrestaftrek (of overgedragen verliezen) afgezet kunnen worden tegen zogenaamde ontvangen abnormale en goedgunstige voordelen.

Meer specifiek steunt de fiscus hiertoe op cassatierechtspraak waaruit blijkt dat een marktconform voordeel nog steeds abnormaal kan zijn indien het artificieel is en voornamelijk toegekend wordt omwille van fiscale overwegingen (zie Cassatie 29 april 2005).

In een daaropvolgende circulaire (Ci.RH.840/592.613) formuleerde de administratie dan ook duidelijk het voornemen een dergelijke ruime interpretatie van art. 207, lid 2 WIB92 te hanteren om de (naar haar aanvoelen onrechtmatige) aftrek van notionele interestaftrek aan te vechten.

In eerste instantie werd de administratie hierin in een aantal zaken bijgetreden in de rechtspraak.[1] Echter, na reeds door de rechtbank van eerste aanleg te Luik reeds in het gelijk gesteld te zijn, besloot tevens het Hof van Beroep te Luik in het voordeel van de belastingplichtige.[2]

Recent diende het Hof van Beroep te Antwerpen zich uit te spreken over een casus waarin de administratie in eerste aanleg in haar gelijk gesteld werd[3]. De feitelijke omstandigheden kunnen beknopt samengevat worden als volgt:

Een Finse moedervennootschap wenst een nieuw investeringsproject in Rusland te financieren middels een (nieuw opgerichte) Belgische vennootschap. De Belgische entiteit wordt in eerste instantie gefinancierd middels een intragroepslening vanwege de Finse moedervennootschap, doch deze wordt op relatief korte termijn geïncorporeerd in het kapitaal van de Belgische entiteit.[4] De Belgische entiteit wendt deze verkregen fondsen aan om financiering te verstrekken aan een Zweedse en een Nederlandse groepsvennootschap, dewelke overgaan tot de nodige investeringen in Rusland.

De administratie (in hoofde van de BBI) bleek hieromtrent de mening toegedaan dat de kapitaalsverhoging enkel vanuit fiscale overwegingen doorgevoerd werd en zodoende als “abnormaal” beschouwd diende te worden, en dat bijgevolg de interesten ontvangen uit de aanwending van deze fondsen als een ontvangen “abnormaal en goedgunstig voordeel” (conform art. 207, tweede lid WIB92) gekwalificeerd dienden te worden. Het komt ons voor dat een dergelijke redenering verregaande gevolgen kan hebben; indien men een renteloze lening verkrijgt zal het verkregen abnormale en goedgunstige voordeel immers niet meer beperkt blijven tot de marktconforme interestvoet die betaald had moeten worden, doch zich kunnen uitbreiden tot het gerealiseerde rendement op de aanwending van deze fondsen die ter beschikking gesteld werden tegen abnormaal en goedgunstige voorwaarden.

In eerste aanleg werd de redenering van de administratie hieromtrent niet gevolgd. De rechtbank besluit echter dat er wel sprake is van een abnormaal en goedgunstig voordeel, doch niet omwille van de verkregen interesten op “abnormaal en goedgunstig” verkregen middelen. De rechtbank oordeelt daarentegen dat het renteloos zijn van het ter beschikking gestelde kapitaal(!), middels incorporatie van de schuldvordering ten opzichte van de moedervennootschap, abnormaal en goedgunstig is.

Het mag niet verbazen dat bovenvermeld vonnis (o.i. terecht) niet zonder kritiek bleef.[5] Er werd beroep aangetekend door de belastingplichtige, waardoor het Hof van Beroep te Antwerpen zich hier recentelijk over uit diende te spreken.

Het Hof van Beroep te Antwerpen stelt dat een ruime interpretatie van het begrip “abnormaal en goedgunstig voordeel” in het kader van notionele interestaftrek niet geoorloofd is, daar de ratio legis hiervan eruit bestaat om de discriminatie tussen eigen vermogen en schuldfinanciering weg te werken (i.t.t. de ratio legis van art. 79 WIB 92, die erin bestaat het verschuiven van winstgevende activiteiten naar een verlieslatende onderneming teneinde deze laatste haar fiscale verliezen te kunnen aanwenden te bestrijden).[6]

Vervolgens gaat het Hof van Beroep dieper in op de feitelijke omstandigheden, waaruit zij enkel kan besluiten dat de opgezette structuur geenszins als “abnormaal” beschouwd kan worden. In eerste instantie valt het niet te ontkennen dat de Belgische vennootschap activiteiten ontplooide (met name het verstrekken van een substantiële lening aan een groepsvennootschap), het feit dat deze activiteiten slechts beperkte inzet van personeel en activa vereist is doet niets af van de aanwezigheid van een activiteit.

Daarnaast besluit het Hof dat de incorporatie van de vordering vanwege de Finse moedervennootschap in het kapitaal van de Belgische vennootschap niet als abnormaal beschouwd kan worden. Zowel de redenering van de administratie (rendement uit aanwending van fondsen verkregen uit een abnormale en goedgunstige handeling) als deze van de rechtbank van eerste aanleg (renteloos karakter van kapitaal kwalificeren als abnormaal en goedgunstig) lijkt hiermee weerlegd. Het Hof komt ons inziens dan ook tot de terechte conclusie dat er geen sprake kan zijn van enig verkregen abnormaal en goedgunstig voordeel.

Men mag hopen dat toekomstige rechtspraak hieromtrent zich aansluit bij het Hof van Beroep te Antwerpen (alsook het Hof van Beroep te Luik), teneinde de belastingplichtige de nodige rechtszekerheid omtrent (vanuit economische overwegingen ingegeven) financieringsconstructies te verschaffen.

Jarne Boone – Tax Department


 

[1] Rb. Antwerpen, 3 december 2014, 13/2736/A; Rb. Antwerpen, 25 juni 2014, 12/6789/A; Rb. Brussel, 18 november 2014, 2012/15709/A

[2] Rb. Luik, 4 maart 2013, 11/1539/A; Luik 26 juni 2015, 2013/RG/728

[3] Fiscale actualiteit 5, p.1-4, 4 februari 2016; Fiscoloog 1462, p.4-6, 3 februari 2016

[4] Intragroepslening verstrekt op 19 maart 2008, incorporaties op 31 maart 2008 en 30 september 2008

[5] Fiscale actualiteit nr. 33, p.1-6, 01.10.2015; Fiscale actualiteit nr. 28, p.4-7, 24.07.2014

[6] Fiscoloog 1462, p.5, 03.02.2016

 

Gepubliceerd op 26/02/2016

Did you find this useful?