agentuurovereenkomst

Article

Omgevingsvergunning in Vlaanderen vanaf 23 februari 2017

KMO-update

Het Vlaamse decreet betreffende de omgevingsvergunning, dat de milieuvergunning, de stedenbouwkundige vergunning en de verkavelingsvergunning integreert in de omgevingsvergunning werd sinds de bekendmaking ervan op 23 oktober 2014 al tweemaal gewijzigd. Om zicht te krijgen op de inwerkingtreding en de verdere uitvoering ervan was het wachten op het omgevingsvergunningsbesluit van 27 november 2015, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 23 februari 2016.

Het Vlaamse omgevinsgvergunningsdecreet en het voormelde (uitvoerings)besluit zullen, behoudens de bepalingen inzake evaluaties, in werking treden op 23 februari 2017. Vanaf dat moment is de omgevingsvergunning in de praktijk dus een feit.

Procedurele kaderregelgeving

Het omgevingsvergunningsdecreet en -besluit bevatten in hoofdzaak procedurebepalingen van toepassing op projecten onderworpen aan de vergunnings- en/of meldingsplicht volgens de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) of de nieuwe titel V van het Decreet houdende Algemene Bepalingen inzake Milieubeleid (DABM). De toetsingskaders waaraan de vergunningsaanvraag of de melding wordt getoetst, zijn terug te vinden in deze sectorwetgeving zelf.

Van zodra een project deze vergunningsplichten op een onlosmakelijke manier omvat, worden de uitvoering van de stedenbouwkundige handelingen en de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten geïntegreerd in één aanvraag en één omgevingsvergunning.

Maar ook in het geval een project enkel vergunningsplichtig is krachtens de VCRO of titel V DABM (bv. vergunningplichtige opslag van gevaarlijke producten in een bestaand gebouw), valt het onder de omgevingsvergunnings-regelgeving. De introductie van de omgevingsvergunning heeft dan ook de introductie van een aantal nieuwe begrippen tot gevolg. Denk bv. aan het begrip ‘omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit’ dat in de plaats komt van de notie ‘milieuvergunning’.

Bevoegde overheid

Het omgevingsvergunningsdecreet kent in eerste administratieve aanleg drie vergunningverlenende overheden, m.n. de Vlaamse Regering (of de gewestelijke omgevingsambtenaar), de deputatie en het college van burgemeester en schepenen. Om de bevoegde overheid in eerste administratieve aanleg te bepalen, gelden specifieke bevoegdheidsregels. Sleuteldocumenten hierbij zijn de bij besluit van 13 februari 2015 door de Vlaamse Regering vastgestelde limitatieve lijsten van Vlaamse en provinciale projecten en de indelingslijst, die in de toekomst terug te vinden is als bijlage 1 van Vlarem II.

In deze indelingslijst werd wel een aanzienlijk aantal wijzigingen doorgevoerd, o.m. op het vlak van ‘declassering’ van ingedeelde inrichtingen en activiteiten, zodat het gemeentelijk niveau voor meer vergunningsaanvragen de bevoegde overheid in eerste aanleg zal zijn. Ook wat betreft de vergunningsplichtige verandering van projecten, zijn specifieke bepalingen inzake het aanduiden van de bevoegde overheid voorzien.

Soorten vergunningsprocedures

In eerste administratieve aanleg gelden twee vergunningsprocedures, m.n. de gewone en de vereenvoudigde vergunningsprocedure. Verschillen tussen de twee procedures vallen te noteren op het vlak van het openbaar onderzoek, de tussenkomst van de omgevingsvergunningscommissie en de beslissingstermijn. Het decreet bepaalt zelf wanneer de vereenvoudigde procedure van toepassing is, zodat in de andere gevallen de gewone procedure vigeert.

Het omgevingsvergunningsbesluit bevat op dit vlak wel belangrijke uitvoeringsbepalingen, o.m. wat betreft de criteria inzake de beoordeling van een beperkte verandering van een ingedeelde inrichting of activiteit. De vereenvoudigde vergunningsprocedure kan in elk geval niet van toepassing zijn voor projecten waarvoor de vergunningsaanvraag een project-mer, een omgevingsveiligheidsrapport of passende beoordeling moet bevatten.

In graad van administratief beroep (of in laatste administratieve aanleg) is in één administratieve procedure voorzien, al is de beslissingstermijn wel functie van de gevolgde procedure in eerste aanleg. Behoudens in de voorziene uitzonderingen werkt een administratief beroep schorsend.

De uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunning, genomen in laatste administratieve aanleg, of de aktename van een melding kan aangevochten worden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Verkorte en probleemoplossende vergunningsprocedures

Voor een groot aantal vergunningsaanvragen worden de beslissingstermijnen, die behoudens uitzondering vervaltermijnen zijn, ingekort. De beslissingstermijnen variëren, o.m. afhankelijk van de procedure, tussen de 60 d. en de 120 d. en zijn slechts in een beperkt aantal gevallen verlengbaar.

Door de integratie van de goedkeuring van het milieueffecten- en omgevingsveiligheidsrapport in de vergunningsprocedure beoogt de decreetgever een bijkomende procedureversneller voor projecten die aan dergelijke rapportage(s) onderworpen zijn. Bovendien creëert de regelgeving een aantal instrumenten om flexibel te kunnen inspelen op eventuele ‘procedureproblemen’.

In dit verband kan in het bijzonder verwezen worden naar de ‘administratieve lus’ die moet toelaten (bepaalde) procedurele onregelmatigheden (bv. verplicht advies niet gevraagd, aanvraag niet correct bekendgemaakt, ontbreken van project-mer-screeningsnota) bij te sturen en de voorwaardelijke mogelijkheid een tweede openbaar onderzoek te organiseren. Ook het wijzigen van de aanvraag behoort onder welbepaalde voorwaarden tot de mogelijkheden.

Onbepaalde duur en bijstelling

Het principe is dat de omgevingsvergunning voor onbepaalde duur geldt. Niettemin kan de bevoegde overheid in limitatief opgesomde gevallen een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk voor een bepaalde duur verlenen. Onder deze (uitzonderings)gevallen vallen o.m. een exploitatie die betrekking heeft op een grondwaterwinning of een ontginning, de proefomgevingsvergunning, de herlokalisatie van een zonevreemde ingedeelde inrichting of activiteit en veranderingen van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor de initiële omgevingsvergunning voor een bepaalde duur is verleend. Het uitgangspunt is wel dat de bepaalde termijn beperkt blijft tot de onderdelen van het project die vallen onder de uitzonderingsgevallen.

Gelet op het principe van de onbepaalde duur zijn flankerende maatregelen voorzien om o.a. in het licht van het grondwettelijk standstill-beginsel de bescherming van de mens en het leefmilieu op termijn te vrijwaren. Het betreft meer concreet het systeem van de ‘bijstelling van de milieuvoorwaarden’ en de ‘bijstelling van het voorwerp en de duur van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit’, waarbij voor de eerstgenoemde bijstelling in het bijzonder wordt verwezen naar het instrument van de algemene en de gerichte evaluaties. De flankerende maatregelen zijn aan geëigende regels en procedures onderworpen.

Overgangsbepalingen

Om de overgang naar de omgevingsvergunning te begeleiden, is voorzien in een aantal overgangsbepalingen, o.m. wat betreft ‘hangende’ vergunningsaanvragen, de toepasselijke indelingslijst, de geldigheidsduur van afgeleverde milieuvergunningen, toegekende afwijkingen op milieuvoorwaarden en de koppelingsregeling. In het bijzonder wordt gewezen op de voorwaardelijke ‘omzettingsregeling in een vergunning voor onbepaalde duur’ die betrekking heeft op een milieuvergunning die vanaf 10 september 2002 is aangevraagd en verleend is voor een termijn van twintig jaar.

Los van de terzake toepasselijke strikte voorwaarden, is het van belang te weten dat wanneer dergelijke omzetting naar onbepaalde duur aan de orde kan zijn, de vergunninghouder tussen de achtenveertig en zesendertig maanden voor het verstrijken van de vergunningstermijn van de milieuvergunning de gepaste acties moet ondernemen via het geëigende formulier dat is gevoegd bij het omgevingsvergunningsbesluit.

Leo Kerkstoel – www.sertius.be

Did you find this useful?