Article

Openbaar ministerie is belanghebbende in het kader van artikel 634 W.Venn. (gerechtelijke ontbinding)

KMO-update

Recent sprak het Hof van Cassatie zich uit over de mogelijkheid van het openbaar ministerie om een vordering in te stellen tot ontbinding (“gerechtelijke ontbinding”) van een naamloze vennootschap waarvan het netto-actief gedaald is tot beneden 61.500 euro en art. 634 W.Venn. bijgevolg van toepassing is.

Krachtens art. 634 W.Venn. (en art. 333 W.Venn. voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid) kan elke belanghebbende de ontbinding van de naamloze vennootschap vorderen voor de rechtbank van koophandel van zodra het netto-actief van deze vennootschap gedaald is tot beneden 61.500 euro (6.200 euro voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Wanneer art. 633 W.Venn. ook van toepassing blijkt, wanneer ten gevolge van het geleden verlies het netto-actief gedaald is tot minder dan de helft van het maatschappelijk kapitaal, zal het bovendien nodig zijn om een algemene vergadering bijeen te roepen die zich zal moeten uitspreken over het al dan niet voortzetten van de activiteiten.

De rechter dient de gerechtelijke ontbinding niet meteen uit te spreken, maar kan beslissen om de vennootschap een termijn toe te staan om haar de mogelijkheid te geven om deze toestand te regulariseren. Algemeen gesteld zal er nood zijn aan een kapitaalinbreng om het netto-actief aan te zuiveren.

Prompte actie is noodzakelijk gezien elke belanghebbende de ontbinding van de vennootschap kan vorderen. De vraag die dan rijst is wie beschouwd kan worden als ‘belanghebbende’. De insteller van de vordering moet kunnen aantonen dat hij een persoonlijk, reeds verkregen en dadelijk belang heeft bij de ontbinding.

Deze belanghebbende kan in het bijzonder een aandeelhouder zijn (ook de minderheidsaandeelhouder), een schuldeiser (in de mate dat hij een concreet belang kan aantonen naast zijn gewone hoedanigheid), en uitzonderlijk ook een concurrent van de vennootschap. De toestand van de vennootschap moet evenwel leiden tot een concreet nadeel voor deze concurrent en de vordering moet rechtmatig zijn.

Bijzonder is echter dat met de uitspraak van het Hof van Cassatie van 17 oktober 2014 ook bevestigd wordt dat het openbaar ministerie de mogelijkheid heeft om dergelijke vordering in te stellen. Het Hof is namelijk van mening dat dergelijke toestand van de vennootschap het handelsverkeer ernstig kan aantasten en bijgevolg de openbare orde raakt. Het O.M. vrijwaart in dit geval slechts de belangen van de maatschappij en van de economische openbare orde.

Uit de voorbereidende werkzaamheden blijkt inderdaad dat het openbaar ministerie volgens de wetgever wel degelijk werd aangewezen als iemand die als een belanghebbende kan worden beschouwd en die een vordering zou kunnen instellen overeenkomstig huidig art. 634 W.Venn.

Tot slot geldt conform voormelde uitspraak van het Hof van Cassatie dat wanneer de vordering van het openbaar ministerie, die in het algemeen belang optreedt, wordt afgewezen, het O.M. niet veroordeeld kan worden tot de gehele gerechtskosten. Ter attentie van het O.M. geldt immers een bijzondere regeling die onverenigbaar is met de toepassing van de gemeenrechtelijke bepalingen inzake de gerechtskosten.

Met deze uitspraak bevestigt het Hof van Cassatie dus zowel eerdere lagere rechtspraak alsook de bedoeling van de wetgever. Voor vennootschappen die zich in dergelijke toestand bevinden is het bijgevolg aan te raden om zo snel mogelijk maatregelen te treffen om hun netto-actief terug boven de ondergrens van 61.500 euro te brengen.

Nick Berckmans -  nberckmans@deloitte.com & Sofie Lambeens – slambeens@deloitte.com


Gepubliceerd op 29/06/2015.

Version française
Did you find this useful?