Article

KMO-update

Partner krijgt een voordeel, bedrijfsleider wordt erop belast ...

Recent heeft de administratie een circulaire uitgebracht over de situatie waarin een werkgever of vennootschap een bedrijfswagen voor persoonlijk gebruik ter beschikking stelt aan een derde persoon die een naaste is van de werknemer of de bedrijfsleider, zonder dat deze derde persoon enige beroepsband heeft met de werkgever of de vennootschap (partner, kind, …).

Volgens cassatierechtspraak is een voordeel toegekend aan de partner van een bedrijfsleider slechts belastbaar in hoofde van de bedrijfsleider indien deze laatste er ook zelf profijt uithaalt. In casu betrof het een einde-leasing, waarbij de wagen, op het einde van de leasingperiode, werd verkocht aan de partner van de bedrijfsleider tegen de “lage” optieprijs. De administratie belastte de bedrijfsleider op een voordeel van alle aard. Het Hof van Cassatie deelde deze visie niet, omdat niet kon worden vastgesteld dat de bedrijfsleider zelf voordeel had gehaald uit het lichten van de optie. De visie van Cassatie is duidelijk: de administratie kan een werknemer of een bedrijfsleider niet belasten op een voordeel van alle aard indien zij niet kan aantonen dat de werknemer of bedrijfsleider er ook zelf profijt uit heeft gehaald.

De circulaire bevestigt bovenvermelde rechtspraak.

In de eerste plaats is het uitgesloten dat het voordeel een belastbaar beroepsinkomen uitmaakt in hoofde van de derde persoon en dit wegens gebrek aan oorzakelijk verband.

In twee gevallen kan dit voordeel belast worden in hoofde van de werknemer of de bedrijfsleider:

  1. De bedrijfsleider of werknemer geeft zijn voordeel door aan de “derde” (de vennootschap heeft het voordeel dus niet rechtstreeks toegekend aan de derde). In deze hypothese wordt aangenomen dat de werknemer of bedrijfsleider het voordeel heeft verkregen en erop wordt belast, zelfs al heeft hij het doorgegeven en maakt hij er uiteindelijk geen persoonlijk gebruik van.
  2. Het voordeel wordt rechtstreeks toegekend aan de “derde”. In dit geval kan de bedrijfsleider of werknemer er toch zelf op worden belast als deze laatste eveneens een persoonlijk voordeel haalt uit de toekenning. Dit is ondermeer het geval:
  • Indien het goed dat wordt toegekend aan de “derde” de vermogenstoestand van de werknemer of de bedrijfsleider verrijkt (bv. omdat een goed dat werd toegekend aan de echtgenote in het gezamenlijk vermogen van de echtgenoten terechtkomt);
  • Indien het goed wordt ter beschikking gesteld aan de “derde” en de werknemer of de bedrijfsleider hierdoor geen uitgaven moet doen, die hij wel had moeten dragen zonder de tussenkomst van de werkgever / vennootschap wegens de daadwerkelijke financiële afhankelijkheid van de derde jegens hem.
    Bijvoorbeeld: De terbeschikkingstelling van een voertuig aan de echtgenote of een ander lid van het gezin van de bedrijfsleider, heeft tot gevolg dat de bedrijfsleider de uitgaven die verbonden zijn aan de aankoop of de huur van een wagen voor zijn gezinsleden niet zelf moet dragen.

Indien uit de feiten blijkt dat de werknemer of de bedrijfsleider niet kan worden belast op een voordeel van alle aard, zal de administratie haar pijlen richten op de verstrekker van het voordeel in de vorm van belasting op een verleend abnormaal of goedgunstig voordeel.

De circulaire benadrukt tevens dat voormelde principes mogen worden doorgetrokken naar alle voordelen van alle aard.
Uiteindelijk betreft het hier een feitenkwestie: de administratie moet kunnen aantonen dat de werknemer of de bedrijfsleider profijt heeft gehaald uit het voordeel dat werd toegekend aan de partner, het kind… Indien dit niet het geval is, rest de administratie enkel nog de piste van de abnormale of goedgunstige voordelen.

Magalie Van Herreweghe, Tax & Legal Services


Gepubliceerd op 14/04/2014.


 

Did you find this useful?