Article

KMO-update

Liquidatiereserve: een "permanente" liquidatieheffing van 10 %?

Op 1 oktober jl. werd het tarief van de roerende voorheffing op liquidatieboni definitief verhoogd van 10 % naar 25 %. Deze verhoging ging gepaard met een overgangsmaatregel voor reeds belaste reserves, de zogenaamde “interne liquidatie”.

Op 1 oktober 2014 werd het tarief van de roerende voorheffing op liquidatieboni definitief verhoogd van 10 % naar 25 %. Deze verhoging ging gepaard met een overgangsmaatregel voor reeds belaste reserves, de zogenaamde “interne liquidatie”. Nieuw opgebouwde reserves vallen niet onder deze maatregel, waardoor ze bij een liquidatie aan het 25 % tarief onderworpen zijn.

Echter het regeerakkoord Michel I voorziet in een permanente versie van deze tijdelijke overgangsmaatregel, weliswaar in een andere vorm en met een beperkter toepassingsgebied.

Voor boekjaren vanaf 31/12/2014

Kmo-vennootschappen kunnen jaarlijks hun boekhoudkundige winst na belastingen geheel of gedeeltelijk overboeken naar een afzonderlijke, onbeschikbare passiefrekening, de zogenaamde ‘liquidatiereserve’, en dit een eerste maal voor het boekjaar dat afsluit op 31/12/2014 of later. Over deze liquidatiereserve zal er onmiddellijk een afzonderlijke heffing in de vennootschapsbelasting van 10% verschuldigd zijn, zonder dat over de grondslag enige fiscale aftrek mogelijk is.

Wanneer er in de toekomst, bij de ontbinding van de vennootschap, een liquidatiebonus uitgekeerd wordt, toe te rekenen aan deze liquidatiereserve, zal dit gedeelte van de uitkering belastingvrij toekomen aan de aandeelhouder(s).

Vervroegde uitkering

Een uitkering aan de aandeelhouder(s) op een ander moment dan de liquidatie van de vennootschap, maakt de vrijstelling niet van toepassing. In dergelijk geval is er roerende voorheffing verschuldigd.

Het tarief van roerende voorheffing over het dividend is afhankelijk van de termijn verlopen tussen de aanleg van de liquidatiereserve (einde boekjaar van aanleg) en het ogenblik waarop het dividend uitgekeerd wordt. Als de desbetreffende periode korter is dan 5 jaar, zal het tarief van de roerende voorheffing 15 % bedragen. Eens de termijn van vijf jaar verstreken is, bedraagt het tarief van de roerende voorheffing 5 %.

Cijfervoorbeeld

Te bestemmen winst na belastingen 31/12/2014 van € 1.000 (aanslagjaar 2015)

Anticipatieve heffing bij het aanleggen van de liquidatiereserve

10% vennootschapsbelasting = €100

 

 

Totale belastingdruk

Roerende voorheffing

Bij liquidatie van de vennootschap

0 %

€100

Uitkering als dividend binnen de periode van 5 jaar (uiterlijk op 31/12/2019)

15 %

€ 250 = €100 + €150 (15 %*1.000)

Na het verstrijken van de sperperiode (vanaf 1/01/2020)

5 %

€ 150 = €100 + €50 (5 %*1.000)


Toepassingsmodaliteiten en overwegingen

  • De maatregel is slechts toegankelijk voor kmo-vennootschappen. De beoordeling op basis van artikel 15 W.Venn. dient te gebeuren op geconsolideerde basis en dit voor het belastbaar tijdperk waarin de liquidatiereserve aangelegd wordt. Het statuut van de onderneming op moment van uitkering is niet relevant.
  • De verplichte aanleg van de wettelijke reserves zal steeds voorrang hebben op de aanleg van de liquidatiereserve.
  • Boekhoudkundige verliezen uit vorige inkomstenjaren beletten de vennootschap niet om over de winsten van het huidige boekjaar een liquidatiereserve aan te leggen.
  • De afzonderlijke heffing is een fiscaal niet aftrekbare beroepskost.
  • Rekening houdende met de wachtperiode van 5 jaar, kan de vennootschap in de toekomst haar dividendbeleid optimaliseren. Men kan op een cyclische manier de liquidatiereserve aanleggen, zodanig dat er (na de eerste wachtperiode van 5 jaar) steeds dividenden beschikbaar zijn om uit te keren aan het “verlaagde” tarief van 15 % (10 % vennootschapsbelasting en 5 % roerende voorheffing). Zoals voorheen blijft het aangeraden om de dividendpolitiek af te stemmen op de voorwaarden voor het verlaagd opklimmend tarief in de vennootschapsbelasting.
  • In tegenstelling tot de VVPRter-regeling (nieuw uitgegeven aandelen vanaf 01/07/2013 met een roerende voorheffing van 15 %) is er bij de liquidatiereserve geen sprake van een loyaliteitsvoorwaarde. Dit impliceert dat het “verlaagde” tarief behouden blijft, ook als de aandelen van eigenaar veranderen.
  • Bij de aanleg van de liquidatiereserve is er een onmiddellijke cash-out, namelijk de anticipatieve heffing van 10 %. Het betreft aldus een voorfinanciering op een later voordeel die eveneens een negatieve impact heeft op de notionele interestaftrek. In de mate dat deze liquidatiereserve bij vereffening geneutraliseerd wordt door boekhoudkundige verliezen, is deze aanbetaling een maat voor niets!
  • Bij een eventuele verkoop van de aandelen aan een andere vennootschap zal een eerder aangelegde liquidatiereserve en de hiermee gepaarde anticipatieve heffing een verloren kost uitmaken. Uitkeringen van (liquidatie)dividenden tussen (Belgische) vennootschappen zijn immers vrijgesteld van de betaling van roerende voorheffing.

Conclusie

De nieuwe regeling kan voor kmo-vennootschappen een opportuniteit vormen om winsten opgebouwd vanaf 2014 “fiscaal gunstig” uit te keren aan de aandeelhouder(s), hetzij bij liquidatie (10 %), hetzij bij reguliere dividenduitkeringen (10 % + 5 % mits de wachtperiode van 5 jaar). Echter, het afrekeningsmoment van de 10% heffing is onmiddellijk en niemand heeft een glazen bol wat de toekomst zal brengen. Desalniettemin biedt deze regelgeving een opportuniteit voor vennootschappen met een “beperkte” levensduur en risico’s of actieve exploitatievennootschappen met een (historische) dividendenpolitiek aan de aandeelhouders/natuurlijke personen.

Anse Mertens, anmertens@deloitte.com & Walter Meurs, wmeurs@deloitte.com


Gepubliceerd 19/03/2015.

 

Did you find this useful?