leningen

Article

Renteloze leningen in een verliessituatie: uiteindelijk toch een minimale belastbare basis

KMO-update

Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft een tijdje geleden in het arrest dd. 6 november 2012 een merkwaardig oordeel geveld over het aftrekverbod van verliezen van het lopende boekjaar op het gedeelte van de winst dat voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen verkregen van een verbonden onderneming. Dit arrest werd nu verbroken door het Hof van Cassatie.

Art. 207 en 49 WIB92: Abnormale en goedgunstige voordelen

Conform art. 207, lid 2 en art. 79 WIB92 mag geen aftrek van vorige beroepsverliezen, noch compensatie met het verlies van het belastbare tijdperk zelf worden verricht op het gedeelte van het resultaat dat voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen die de belastingplichtige in welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen uit een onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt. De uitbreiding van het aftrekverbod naar de vorige beroepsverliezen werd ingevoerd bij wet dd. 24 december 2002.

Minister van Financiën: renteloze lening? Minimale belastbare basis!

In antwoord op een parlementaire vraag dd. 2 april 2004 heeft de toenmalige Minister van Financiën geoordeeld dat art. 207 WIB92 niet alleen van toepassing is in het geval dat winsten eenvoudigweg verplaatst worden tussen twee verbonden ondernemingen, maar ook in het geval de Belgische belastingplichtige een kost uitspaart (bv. renteloze lening). Deze visie heeft tot gevolg dat steeds een bedrag zal worden belast dat minstens gelijk is aan het verkregen voordeel en dit ongeacht het boekhoudkundig resultaat en ongeacht het feit of de boekhouding wel of geen inkomsten laat zien die minstens gelijk zijn aan het bedrag van het verkregen voordeel.

Kritiek in de rechtsleer

Tegen dit antwoord van de Minister van Financiën werd in de rechtsleer enorm veel kritiek geuit, in het bijzonder in het geval waarin de verstrekte abnormale of goedgunstige voordelen de vorm aannemen van een kostenbesparing zoals bij een renteloze lening. Bij een vennootschap van wie het lopende boekjaar verlieslatend is, wordt het verlies niet gecompenseerd met enige kostenbesparing. De kostenbesparing heeft enkel tot gevolg dat het verlies niet nog groter wordt. Onderstaand voorbeeld kan deze problematiek verduidelijken:

Stel een dochtervennootschap B die in het lopende boekjaar opbrengsten van 200 heeft en kosten van 300. In casu is er dus een verlies van 100. Van haar moeder A krijgt zij een renteloze lening, waardoor zij een interest van 20 uitspaart. Het verlies van B blijft dus op 100.

Mocht diezelfde vennootschap B bij de bank aankloppen voor deze lening en daadwerkelijk een interest van 20 moeten betalen, dan zou het verlies oplopen tot 120. Conform het antwoord van de Minister van Financiën (en de Administratie) zou B in het lopende boekjaar belast worden op het abnormaal en goedgunstig voordeel van 20 dat voortvloeit uit de renteloze lening. Aangezien het verlies ten belope van 20 lager is, zal diezelfde 20 in een volgend boekjaar dus ook niet als verlies kunnen worden afgetrokken. Uiteindelijk komt dit dan neer op een economische dubbele belasting: enerzijds wordt de vennootschap belast op 20, anderzijds kan zij 20 minder aftrekken.

Hof van beroep te Antwerpen: geen minimale belastbare basis…

Het hof van Beroep te Antwerpen heeft gehoor gegeven aan bovenstaande kritiek. In het arrest dd. 6 november 2012 werd namelijk geoordeeld dat art. 207 en 79 WIB92 geen toepassing kan vinden in het geval van een renteloze lening die wordt verstrekt aan een verlieslatende vennootschap. Deze conclusie werd uitbundig gemotiveerd in het arrest, maar zoals hoger reeds vermeld heeft het Hof van Cassatie deze motivering nu abrupt verworpen.

Hof van Cassatie: dan toch een minimale belastbare basis!

In een kort en nauwelijks gemotiveerd arrest dd. 10 maart 2016 (nog niet gepubliceerd) verwerpt het Hof van Cassatie resoluut de stelling dat art. 207 en 79 WIB92 geen toepassing kan vinden in het geval van een renteloze lening die wordt verstrekt aan een verlieslatende vennootschap.

Het Hof is namelijk van mening dat “uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het gedeelte van het resultaat dat voortkomt uit abnormale of goedgunstige voordelen die de belastingplichtige, in welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen uit een onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt, niet mag worden gecompenseerd met het verlies van het belastbare tijdperk, derwijze dat het belastbaar resultaat minstens gelijk is aan het verkregen abnormaal of goedgunstig voordeel, ongeacht of het resultaat positief dan wel negatief is.”

De impact van de uitspraak van het Hof van Cassatie kan men niet zomaar onder stoelen of banken schuiven. Zoals hierboven reeds werd aangetoond betekent de uitspraak dat, in het geval een renteloze lening wordt verstrekt aan een verlieslatende vennootschap, de weg naar economische dubbele belasting opnieuw werd vrijgemaakt.

Conclusie

Het Hof van Cassatie heeft dd. 10 maart 2016 een finaal standpunt ingenomen omtrent het al dan niet ontstaan van een minimale belastbare basis in het geval een renteloze lening wordt verstrekt aan een verlieslatende verbonden onderneming. Waar men vroeger het tegendeel beweerde, is het Hof nu van mening dat men in dergelijk geval wel degelijk op een minimaal belastbaar voordeel zal belast worden. Dit leidt onherroepelijk tot een economisch dubbele belasting.

Arnaud Vandeputte – Tax Department

Gepubliceerd op 10/05/2016

Did you find this useful?