Article

KMO-update

Renteloze leningen tussen vennootschappen: nog steeds een abnormaal en goedgunstig voordeel

Geldleningen tussen vennootschappen komen veel voor. Om deze leningen te kunnen beschouwen als leningen die "at arm’s length" zijn verstrekt, moeten er in principe marktconforme interesten worden op berekend. In de praktijk stelt men echter regelmatig vast dat op geldleningen of -voorschotten tussen verbonden vennootschappen geen interesten worden betaald.

In deze bijdrage willen we wijzen op het belastingrisico wegens abnormaal en goedgunstig voordeel, dat zich zou kunnen voordoen, omdat er geen interest is verschuldigd.

 

Begrip “abnormaal en goedgunstig voordeel”

 

Het begrip “voordeel” houdt in dat de begunstigde zich verrijkt. "Abnormaal" verwijst naar het in strijd zijn met de normale gang van zaken en het niet volgens de gangbare regels en gebruiken zijn, die in soortgelijke gevallen gebruikelijk zijn. Het voordeel is "goedgunstig", wanneer het wordt toegekend zonder dat dit de uitvoering van een verbintenis is of zonder dat er een tegenprestatie ten gunste van de verstrekker tegenover staat.

Door geen interest aan te rekenen op haar schuldvordering, kent de vennootschap een voordeel toe aan de schuldenaar. Dit voordeel zou als abnormaal kunnen worden beschouwd, aangezien de gangbare praktijk op de markt wil dat op geldvoorschotten of -leningen interest wordt betaald. Bijzondere economische omstandigheden kunnen echter de reden voor de toekenning van dit voordeel zijn, dat zo in feite zijn abnormale of goedgunstige karakter verliest en ontsnapt aan de toepassing van de bepalingen hierna.

Belasting van het toegekende abnormale en goedgunstige voordeel

Wanneer een in België gevestigde vennootschap abnormale of goedgunstige voordelen toekent, worden die voordelen via de VU (Verworpen Uitgaven) bij haar eigen winst gevoegd. Deze bepaling is echter niet van toepassing, wanneer de voordelen aan een andere Belgische vennootschap worden toegekend.

Als een Belgische vennootschap dus geen interesten vraagt op een voorschot dat ze aan haar filiaal of moedervennootschap in het buitenland heeft toegekend, mag de interest die had moeten worden gevraagd aan het belastbare resultaat van de vennootschap worden toegevoegd. Als een Belgische vennootschap echter geen interesten vraagt op een voorschot dat ze heeft toegekend aan haar filiaal of moedervennootschap in België, mag de interest die had moeten worden gevraagd niet aan het belastbare resultaat van de vennootschap worden toegevoegd.

Belasting van het ontvangen toegekende abnormale en goedgunstige voordeel

De vennootschap die het voordeel krijgt, mag geen aftrek verrichten op het gedeelte van het resultaat dat voortkomt van deze abnormale of goedgunstige voordelen, wanneer ze zijn verkregen uit een vennootschap ten aanzien waarvan de in België gevestigde vennootschap zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt (art. 207 en 79 WIB92). Er zij op gewezen dat deze bepaling ook van toepassing is in de situaties waar artikel 26 WIB92 niet van toepassing is op diegene die het voordeel toekent (Belgische vennootschappen).

Het aftrekverbod heeft betrekking op de fiscale verliezen van de belastbare periode, de aftrek van definitief belaste inkomsten, de aftrek voor octrooi-inkomsten, de aftrek voor risicokapitaal, de investeringsaftrek en de overgedragen fiscale verliezen.

Omwille van het feit dat de verliezen van de belastbare periode niet kunnen worden afgeboekt van het gedeelte van het resultaat dat overeenstemt met het abnormale en goedgunstige voordeel, is dit voor een verliesgevende vennootschap, in principe, een minimum belastbare grondslag. Dit is in ieder geval het standpunt dat de belastingadministratie er op nahoudt, zelfs als het voordeel de vorm van een kostenbesparing aanneemt.

In dit geval zou de schuldplichtige vennootschap bij ontstentenis van interest, kunnen worden belast op een bedrag dat overeenstemt met de interest die had moet worden berekend tussen niet-verbonden partijen.

Jurisprudentie

De DVB en de jurisprudentie hebben zich talloze malen uitgesproken over het bestaan of niet bestaan van een abnormaal en goedgunstig voordeel in gevallen waar een vennootschap een renteloze lening toekent aan een verbonden vennootschap.

Verschillende feitelijke economische omstandigheden zijn doorgaans toegelaten om niet-belasting van dit voordeel te verantwoorden:

·         De toekenning van de renteloze lening is noodzakelijk als economische steun aan de begunstigde vennootschap, die zonder deze steun failliet zou kunnen gaan. Met deze lening wordt haar eigen commerciële en financiële prestige of dat van de groep gevrijwaard;

·         De toekenning van de lening wordt verantwoord door de continuïteit van een bepaalde economische activiteit van het filiaal, die noodzakelijk is voor de moedervennootschap die de lening toekent;

·         De toekenning van de lening wordt verantwoord door de sanering van de economische situatie van de begunstigde vennootschap, zodat de vennootschap die de lening geeft vroeg of laat een geldelijk voordeel kan verkrijgen (verhoging van de participatiewaarde, behoud van de verkoopwaarde van de effecten …).

Wordt daarentegen geoordeeld dat de renteloze lening uitsluitend wordt toegekend om fiscale redenen (te weten een verschuiving van de winst naar een vennootschap die minder zwaar wordt belast), dan wordt het voordeel bij de begunstigde vennootschap belast.

Arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen van 6 november 2012

Het traditionele standpunt van de Belastingadministratie is dat de vennootschap die een abnormaal en goedgunstig voordeel ontvangt, steeds onmiddellijk en effectief op dit voordeel moet worden belast. Een door een verliesgevende vennootschap ontvangen voordeel vormt dientengevolge voor de vennootschap een minimum belastbare grondslag (de fiscale verliezen van de vennootschap zullen echter dienovereenkomstig worden verhoogd).

Het Hof van Beroep van Antwerpen heeft bij arrest van 6 november 2012 daarentegen geacht dat artikel 207 WIB92 alleen de fiscale aftrekken op het resultaat regelt en dat de toepassing van dit artikel dus niet de instelling van een nieuwe belastbare grondslag tot gevolg kan hebben.

Het maakt dan ook niet uit of het abnormale en goedgunstige voordeel leidt tot een boekhoudkundige opbrengst (bv. overfacturatie) of een kostenbesparing (bv. renteloze lening); het zal niet kunnen worden belast bij de begunstigde vennootschap, als de vennootschap vóór het voordeel is verrekend, een negatief fiscaal resultaat voor het boekjaar voorlegt. In deze situatie meent het Hof bovendien dat het voordeel reeds belast is, aangezien het fiscale resultaat lager is dan het resultaat dat zonder het voordeel zou zijn vastgesteld.

Deze situatie zal zich concreet voordoen, wanneer het boekhoudkundige resultaat (inclusief het voordeel) ofwel negatief, ofwel positief is, maar lager dan het bedrag van het voordeel.

Besluit

Wanneer een vennootschap een lening toekent aan een vennootschap ten aanzien waarvan ze zich in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt en op haar schuldvordering geen interest aanrekent, kan worden gesteld dat de vennootschap een abnormaal en goedgunstig voordeel toekent. Bij de schuldplichtige vennootschap vormt het ontvangen abnormale en goedgunstige voordeel in principe altijd een minimum belastbare grondslag.

Er bestaan echter tal van arresten uit de jurisprudentie of adviezen van de DVB die afwijken van de belasting in situaties waar de ontstentenis van interest kan worden verantwoord door economische motieven (financiële toestand, vermijden van faillissement).

Het Arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen van 6 november 2012 voert eveneens argumenten aan ten gunste van het niet belasten van de begunstigde, voor het geval de ontstentenis van interest door geen enkel relevant economisch motief kan worden verantwoord. Hier wordt de situatie bedoeld, waar de vennootschap voor het voordeel is verrekend, een verliesgevend fiscaal resultaat vertoont.

De bewijslast van het bestaan van een dergelijk voordeel ligt steeds bij de administratie.

Marie Hérin & Fabrice Dandois – Tax Department

Version française
Did you find this useful?