Article

KMO-update

“Vangnetbepaling” in de BNI: wanneer moet u bedrijfsvoorheffing inhouden?

Sinds 1 januari 2013 is op de belasting van niet-inwoners in België een zogenaamde “vangnetbepaling” of “catch all clause” van toepassing. Doel van deze bepaling is bepaalde beroepsinkomsten die door een Belgische schuldenaar worden toegekend aan een niet-inwoner, in België belastbaar te stellen onder de vorm van een bronheffing tegen een percentage van maximaal 16,5%, wanneer het gaat om inkomsten die door hun aard krachtens het Wetboek van de Inkomstenbelastingen voor een Belgische inwoner (natuurlijke persoon) of een in België gevestigde vennootschap belastbaar zijn.

Wat is het doel?

In het kort is het vangnet bedoeld voor de winst of baten die voortkomen uit de levering van een dienst ten laste van een Belgische inwoner, die aan een niet-inwoner worden toegekend en die niet onder paragraaf 1 en 2 van art. 228 WIB vallen. Er zijn echter verschillende voorwaarden van toepassing…

Welke voorwaarden?

Overeenkomstig artikel 228 § 3 WIB 92 (dat het vangnet in ons WIB invoert) zijn de winst of baten die voortkomen uit de levering van bepaalde diensten voor niet-inwoners in België alleen belastbaar, wanneer drie voorwaarden zijn vervuld:

  • deze winst of baten zijn ten laste van: een inwoner van het Koninkrijk België (natuurlijke personen); een binnenlandse vennootschap, een vereniging, een instelling of een organisme met maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of bestuurs- of directiezetel in België; een Belgische inrichting waarover een in artikel 227 bedoelde niet-inwoner beschikt, ….
  • de heffingsbevoegdheid is toegewezen aan België

Deze toewijzing vindt plaats in twee gevallen:

  • de begunstigde van de bedoelde inkomsten woont in een land waarmee België een dubbelbelastingverdrag (“DVB”) heeft gesloten, dat België de toestemming geeft om deze inkomsten te belasten (dit is het geval voor de dubbelbelastingverdragen die België heeft gesloten met Brazilië, India, Marokko, …);
  • de begunstigde woont in een land waarmee België geen DVB heeft gesloten en kan niet bewijzen dat de inkomsten in kwestie daadwerkelijk belast worden in de woonstaat (dit is bijvoorbeeld het geval voor Bermuda).
    • Een inkomen is “daadwerkelijk belast” wanneer het in de betrokken Staat aan belasting onderworpen is en geen belastingvrijstelling geniet. 
    • Het bewijs van deze daadwerkelijke belasting kan worden geleverd door de begunstigde van de inkomsten in de vorm van een verklaring die uitgaat van de Staat waar hij woont. Er is een model van verklaring bij het door de belastingadministratie gepubliceerde bericht gevoegd.
  • deze winst of baten bedragen meer dan 38.000 euro bruto: Het door de belastingadministratie gepubliceerde bericht voert een minimumdrempel inzake verschuldigde bedrijfsvoorheffing in. Er is immers geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de eerste schijf van 38.000 euro (bruto) winst of baten bedoeld door het vangnet. Deze drempel geldt per begunstigde, per jaar en dient voor elke belastingplichtige afzonderlijk te worden beoordeeld.

Hoe wordt de belasting geïnd?

De belasting wordt geïnd via de bedrijfsvoorheffing die effectief 16,5% bedraagt (in werkelijkheid bedraagt de voorziene voorheffing 33%, maar er wordt een kostenforfait van 50% afgetrokken) van het brutobedrag van de inkomsten (betaald of toegekend vanaf 1.03.2013), behoudens de toepassing van een voordeliger percentage voorzien in een dubbelbelastingverdrag.

De bedrijfsverheffing is verschuldigd door diegene die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon de in artikel 228 § 3 WIB 92 bedoelde inkomsten (dat wil zeggen winst of baten die voortkomen uit de levering van diensten) betaalt of toekent.

Aangezien het gaat om een “bevrijdende” voorheffing hoeft de begunstigde van de inkomsten ze niet op een belastingaangifte van niet-inwoners te vermelden. Niet-inwoners die dergelijke inkomsten verkrijgen, kunnen echter wel opteren voor globalisatie en deze inkomsten op een belastingaangifte van niet-inwoners vermelden.

Praktische illustratie

Een Belgische vennootschap betaalt aan een Braziliaanse vennootschap een vergoeding voor de levering van technische diensten (de door de Braziliaanse vennootschap verkregen winst is overeenkomstig het in casu van toepassing zijnde dubbelbelastingverdrag belastbaar in België, maar aangezien ze niet door een Belgische inrichting werd voortgebracht, valt ze niet onder artikel 228, § 1 en § 2, WIB 92). Volgens het in casu van toepassing zijn dubbelbelastingverdrag mag de belasting die op deze vergoeding wordt geheven, niet hoger zijn dan 10 percent van het brutobedrag ervan.

De Belgische vennootschap betaalt tijdens het jaar 2014 volgende inkomsten aan de buitenlandse vennootschap:

  • 27 mei 2014: 15.000 euro
  • 26 juni 2014: 10.000 euro
  • 24 oktober 2014: 17.000 euro.

Op de betalingen van 27 mei en die van 26 juni is geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd. Er hoeft dus geen aangifte van bedrijfsvoorheffing te worden gedaan.

Op de betaling van 24 oktober dient de verschuldigde bedrijfsvoorheffing te worden vastgesteld op een bedrag van 4.000 euro (de verschuldigde bedrijfsvoorheffing bedraagt bijgevolg 660 euro, te weten 4.000 x 50 % (kostenforfait) x 33 %). Deze verschuldigde bedrijfsvoorheffing dient in voorkomend geval te worden beperkt tot het maximumbedrag waarin het van toepassing zijnde dubbelbelastingverdrag in casu voorziet (te weten 17.000 euro x 10 % = 1.700 euro). Voor deze betaling dient een aangifte van bedrijfsvoorheffing te worden gedaan.

Stéphane Veeckmans, Tax & Legal Services


Gepubliceerd op 14/10/2014.

Did you find this useful?