Article

KMO-update

Een opmerkelijke interpretatie van het verbod van leeuwenbeding: een aandeelhouder mag niet tegelijk schuldeiser zijn van de vennootschap

Een opmerkelijke interpretatie van het verbod van leeuwenbeding: een aandeelhouder mag niet tegelijk schuldeiser zijn van de vennootschap
Body Een leeuwenbeding is een beding in een overeenkomst waarbij de gehele winst wordt toekend aan één van de vennoten in een onderneming of waarbij de door één van de vennoten in de onderneming ingebrachte goederen en gelden worden vrijgesteld van bijdrage in het verlies. Dergelijk beding is verboden en maakt de overeenkomst nietig.

Vooral over de vrijstelling van verlies is reeds veel inkt gevloeid in het licht van de gewijzigde rechtspraak van het Hof van Cassatie in 1998 en 2008, waarbij het Hof zich stelselmatig open stelde voor een mildere interpretatie van voormeld verbod. Zo geeft zij voorrang aan het vennootschapsbelang en wordt de deur geopend voor geldige putopties en portageovereenkomsten, dewelke het in bepaalde omstandigheden mogelijk maken om aandelen te verkopen tegen een vaste prijs, gelijk aan de inbrengwaarde ervan, zolang een dergelijke constructie niet strijdig is met het vennootschapsbelang en de vennootschap er dus geen last van heeft. Dit in aanmerking genomen, is het aldus raadzaam om in de voorafgaande bepalingen van een optieovereenkomst reeds aan te geven waarom een bepaalde constructie het vennootschapsbelang dient.

In de praktijk wordt de houding van het Hof van Cassatie met tevredenheid onthaald, doch er verschijnt eveneens kritiek uit de rechtsleer met betrekking tot de invulling van het begrip “vennootschapsbelang”. Er wordt geargumenteerd dat dit een flou begrip is en rechtsonzekerheid creëert. In dit opzicht wordt in de rechtsleer een nieuwe opmerkelijke interpretatie gegeven aan het verbod op verliesvrijstelling; met name de gedachte dat aandeelhouders zichzelf niet de positie van een schuldeiser mogen toekennen.

We verklaren ons nader. Het wezenlijk verschil tussen een aandeelhouder en een schuldeiser is dat een schuldeiser hetzij op contractueel bepaalde tijdstippen recht heeft op betalingen door de vennootschap, hetzij die betalingen eenzijdig mag afdwingen, terwijl een aandeelhouder dit net niet mag. Immers, een aandeelhouder wordt pas betaald ingeval er winst is en de algemene vergadering binnen de wettelijke grenzen beslist tot uitkering ervan. Volgens deze nieuwe interpretatie mag een aandeelhouder geen constructies opzetten die ervoor zorgen dat de vennootschap hem of haar uitkeringen garandeert, waardoor bepaalde activa gebruikt worden die anders eerst aan de schuldeisers waren toegekomen of die op voet van gelijkheid onder de aandeelhouders waren verdeeld bij dividenduitkering of vereffening.

Deze opvatting belet niet dat nog steeds tot een winstdelende lening (lening waarvan interest wordt bepaald in functie van de winst) of converteerbare obligaties kan worden besloten, daar zij afhankelijk zijn van het genereren van winst en aandeelhouders geen vaste claim geven op ingebrachte goederen, noch voorrang verlenen ten opzichte van hun medeaandeelhouders. Ook een preferent dividend blijft mogelijk. Er kan daarbij enerzijds worden gedacht aan een gegarandeerde uitbetaling van een bepaalde som geld per jaar per aandeel. Anderzijds kan men denken aan de combinatie van het creëren van aandelen die i/ recht geven op een uitbetaling van een vaste som; bv. 10 EUR/jaar (schuldvordering gekoppeld aan het aandeel) en ii/ een bepaald percentage van de jaarwinst (aandeelhoudersclaim).

Op basis van deze opvatting wordt het toepassingsgebied van het leeuwenbeding wel beperkt, maar zeker niet uitgesloten. Zo is het bijvoorbeeld niet toegelaten dat een vennootschap aan een aandeelhouder tegelijk toezegt dat hij zijn inbreng in elk geval zal terugbetaald krijgen. Ook de situatie waarbij een aandeelhouder door de vennootschap het recht zou krijgen om die aandelen om te wisselen in geld buiten de regels over inkoop van eigen aandelen is strijdig met het verbod op leeuwenbeding.

Samenvattend kunnen we stellen dat recente rechtsleer van mening is dat een aandeelhouder geen vaststaande vordering mag verkrijgen op zijn inbreng, noch voorrang op zijn medeaandeelhouders. De toetssteen van de geldigheid van overeenkomsten is volgens deze nieuwe opvatting niet langer te vinden in het begrip vennootschapsbelang, maar in het feit dat een aandeelhouder zichzelf niet de positie van schuldeiser mag toekennen. Hoewel deze interpretatie minder rechtsonzekerheid met zich meebrengt, blijft het echter oppassen geblazen bij het opstellen van optieovereenkomsten. Immers, deze opvatting dient nog een rechterlijke toetsing te doorstaan. Omzichtigheid en verantwoording bij het opstellen van optieovereenkomsten blijft dan ook de boodschap.

Darleen Vandenberghe – Legal Department

Gepubliceerd op 11/01/2013

Did you find this useful?