Article

KMO-update

Verhuur van studentenkamers: onroerend, divers of beroepsinkomen?

Inkomsten uit de verhuring van studentenkamers werden meermaals als diverse inkomsten gekwalificeerd in de zin van artikel 90, 1° WIB92. Rechtspraak van het Hof van Cassatie stelde deze rechtspraak echter in vraag. Het Hof stelde dat inkomsten uit onroerende goederen slechts als onroerende inkomsten of beroepsinkomsten kunnen worden belast, de zogenaamde theorie van de “typedwang”.

In casu verhuurt een echtpaar 41 studentenkamers, gespreid over 5 verschillende gebouwen. Het echtpaar is van mening dat de verhuur kadert in het normaal beheer van privaat vermogen en geeft het inkomen aldus aan als een onroerend inkomen. De administratie, gevolgd door de Rechtbank van Brugge, beslist echter deze inkomsten als divers inkomen te belasten (Rechtbank Brugge dd. 17.03.2014).

De rechtbank is van oordeel dat de Administratie het bewijs heeft geleverd dat de verhuring van de studentenkamers verder gaat dan het normaal beheer van een privaat vermogen. Er wordt hierbij rekening gehouden met de hoeveelheid verhuurde kamers, het feit dat de verhuurde gebouwen specifiek werden gebouwd of verbouwd met het oog op de verhuring, het feit dat aanzienlijke sommen werden geleend voor de aankoop of de verbouwing van de gebouwen en dat de verhuring gepaard gaat met aanzienlijke prestaties zoals onderhoud en herstellingen. De inkomsten van de verhuur van studentenkamers worden bijgevolg door de rechtbank als divers inkomen gekwalificeerd in de zin van artikel 90, 1° WIB92.

Hiermee legt de Rechtbank van Brugge de theorie van “typedwang” naast zich neer. Deze theorie houdt in dat inkomsten slechts kunnen worden belast in de categorie waartoe ze behoren. Behoudens als beroepsinkomen kunnen inkomsten uit onroerende goederen dan ook enkel worden belast als onroerend inkomen en niet als divers inkomen, tenzij de wet daarin uitdrukkelijk voorziet. Deze theorie werd reeds meermaals bevestigd door cassatierechtspraak. Inkomsten van verhuurde onroerende goederen kunnen bijgevolg enkel worden belast als ofwel onroerende inkomsten overeenkomstig artikel 7, §1, 2° WIB92 ofwel beroepsinkomsten wanneer de desbetreffende onroerende goederen worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van die inkomsten (toepassing van art. 37 WIB92, het zogenaamde ‘scharnierartikel’).

De Administratie zou aldus, wanneer uit de feiten blijkt dat bepaalde vastgoedverrichtingen geen beroepsactiviteit vormen, niet langer de ‘tussenstap’ kunnen gebruiken om de huurinkomsten als divers inkomen te herkwalificeren, ongeacht of er sprake is van een normaal of abnormaal beheer van privévermogen.

Inkomsten uit de verhuur van onroerende goederen die het normaal beheer van het privévermogen te buiten gaan, zullen dus eerder als beroepsinkomen gekwalificeerd worden. Immers de omvang van de werkzaamheden die gepaard gaan met de uitbating en verhuring van een groot aantal onroerende goederen vereist een degelijke, specifieke organisatie die niet langer kadert binnen een normaal beheer van privévermogen. Dergelijke activiteit vormt eerder een beroepsactiviteit.

Inge Sercu – Tax Department

Gepubliceerd op 11/10/2015

Did you find this useful?