Article

KMO-update

Verkrijging activa om niet - verdere verfijning in de rechtspraak

In een vorige bijdrage werd vermeld dat het Hof van Justitie in haar baanbrekend arrest van 3 oktober 2013 besliste dat, in gevallen waarbij de aanschaffings- of vervaardigingsprijs van de activa duidelijk lager ligt dan de werkelijke waarde, niet afgeweken dient te worden van de gebruikelijke waarderingsregels. Activa dienen m.a.w. aan hun aanschaffingswaarde geboekt te worden (en dienen niet hoger gewaardeerd te worden op basis van het principe van het getrouw beeld). Dergelijke boekingswijze sluit ook aan bij het boekhoudkundig voorzichtigheidsprincipe.

In dit kader kunnen we nu opmerken dat de CBN het advies nr. 126/17 op 24 februari 2014 van haar website heeft gehaald onder de verwijzing naar voormeld arrest van het Hof van Justitie.

Nog een onderscheid tussen zuivere en vergoedende verkrijging om niet?

Door de jaren heen was er in de praktijk echter nog een onderscheid ontstaan tussen “zuivere” en “vergoedende” verkrijgingen om niet. In bepaalde rechtsleer werd gealludeerd dat de uitspraak van het Hof van Justitie enkel beperkt diende te worden tot de “zuivere” verkrijgingen om niet.

Een “zuivere” verkrijging om niet vormt geen deel van een commerciële verrichting. Zij situeert zich buiten de context van de specifieke beroepsactiviteit en exploitatieverrichting van de verkrijgende vennootschap die hierbij geen enkele vorm van (tegen)prestatie levert. In dergelijk geval volstaat een boeking aan historische kostprijs.

Bij een “vergoedende” verkrijging om niet daarentegen maakt de verkrijging wel deel uit van een commerciële verrichting en werd bij het vaststellen van de (doorgaans lage of eventueel afwezige) vergoeding rekening gehouden met de kosteloze verkrijging van de activa. In dergelijke gevallen meende men dat, gelet op de aard van ruil/tegenprestatie, een waardering aan marktwaarde zich opdringt. Deze theorie vindt onder andere zijn oorsprong in de rechtspraak van het Hof van Beroep te Antwerpen (1999).

Een NV A had als maatschappelijk doel, het beheren, in stand houden en uitbreiden van een hoofdzakelijk onroerend patrimonium. Een recht van opstal op een terrein werd toegestaan aan vennootschap NV B, met het beding dat zij (A) na het verstrijken van de termijn zonder vergoeding eigenares zou worden van de inmiddels door de opstalhouder opgerichte gebouwen. Een aantal jaren later deed de opstalhouder vervroegd afstand van zijn opstalrecht. De gewezen opstalgever (A) werd via natrekking kosteloos eigenaar van de inmiddels opgerichte gebouwen. A ging ervan uit dat de gebouwen niet in haar balans moesten worden opgenomen.

Het Hof gaf echter de fiscus gelijk en stelde dat het gratis verwerven van de gebouwen onbetwistbaar deel uitmaakte van een commerciële transactie. De contracterende partijen hadden aldus het Hof met de kosteloosheid van de verkrijging van de gebouwen bij het vaststellen van de te betalen canon rekening gehouden. Het Hof besloot op basis daarvan dat de voordelen die NV A bij het beëindigen van de contracten van opstal verkregen had, gewone exploitatiewinsten uitmaakten en dat ze bijgevolg ook als zodanig belastbaar waren. Noteer dat deze uitspraak dateert van vóór de uitspraak van het Hof van Justitie van 3 oktober 2013.

In een recent arrest van 15 januari 2014 heeft het Hof van Beroep te Brussel een ruime interpretatie gegeven aan de recente Europese rechtspraak. Het traditionele onderscheid tussen de “zuivere” en “vergoedende” verkrijging om niet wordt als het ware van tafel geveegd.

Deze zaak handelde tevens over de kosteloze verkrijging van een gebouw naar aanleiding van de beëindiging van het opstalrecht. Een belangrijke beschouwing uit dit arrest luidde als volgt: “niettegenstaande de verwerving ‘om niet’ deel uitmaakt van een commerciële verrichting gedaan door de opstalgever in het kader van zijn beroepsactiviteit dient dit actief gewaardeerd te worden zoals elk ander verworven actiefbestanddeel, volgens de boekhoudkundige regels van de Vierder richtlijn, zoals de door het Europees Hof van Justitie in haar arrest van 3 oktober 2013 werden geïnterpreteerd”.

Het hof van beroep heeft aldus expliciet geoordeeld dat de boeking aan historische kostprijs een algemene gelding heeft. Dit is een positieve evolutie voor de belastingplichtige, aangezien het bij een verkrijging van activa beneden marktwaarde zorgt voor de nodige uniformiteit.

Conclusie

We kunnen concluderen dat de discussie rond de vraag of er bij de verkrijgingen van activa beneden marktwaarde een resultaat zou erkend moeten worden voorlopig beslecht is in het voordeel van de belastingplichtige. Een taxatie op basis van de vroegere rechtspraak en het ondertussen ingetrokken CBN-advies wordt zo goed als onmogelijk voor de fiscus. Het valt echter niet uit te sluiten dat de fiscus in de toekomst zijn slag zal proberen thuis te halen middels andere aanvalsroutes (vb. toegekend abnormaal of goedgunstig voordeel, liberaliteit,…).

Wordt ongetwijfeld vervolgd…

Tax & Legal Services


Gepubliceerd op 02/06/2014.


 

Did you find this useful?