Article

KMO-update

Verlengde herbeleggingstermijn: ook voor verbouwings- en verbeteringswerken

In een recent gepubliceerde ruling aanvaardt de Rulingcommissie dat bepaalde verbouwings- en verbeteringswerken aan gebouwen kunnen beschouwd worden als een herbelegging in een “gebouwd onroerend goed”). Voor de toepassing van de gespreide taxatie van meerwaarden, komen de betreffende werken bijgevolg in aanmerking als geldige wederbelegging binnen de verlengde herbeleggingstermijn van 5 jaar.

Eén van de voorwaarden om te kunnen genieten van het stelsel van de gespreide taxatie van meerwaarden, is dat de verkoopwaarde van het vervreemde actief binnen een bepaalde termijn wordt herbelegd in kwalificerende activa. Deze termijn bedraagt in principe 3 jaar (en uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid). Voor vrijwillig verwezenlijkte meerwaarden wordt de herbeleggingstermijn evenwel op 5 jaar gebracht wanneer wordt herbelegd “in een gebouwd onroerend goed, een vaartuig of een vliegtuig” (art. 47, §4 WIB 1992). De verlenging van de herbeleggingstermijn is ingegeven door de langere oprichtings- of productietijd die voor deze goederen vereist is (Com.IB 1992, nr. 47/48).

In de betreffende ruling wensen de aanvragers te vernemen of de geplande projecten, zijnde bepaalde uit te voeren verbouwings- en verbeteringswerken aan bestaande gebouwen, in aanmerking komen als een herbelegging in een “gebouwd onroerend goed”. Dit met het oog op de toepassing van de verlengde herbeleggingstermijn van 5 jaar.

Reeds eerder werden gelijkaardige feiten voorgelegd aan het Hof van Beroep te Antwerpen (12/01/2007). In casu voert een vennootschap verbouwings- en verbeteringswerken uit aan een onroerend goed in de loop van het 5e jaar na de realisatie van de meerwaarde. De vennootschap is van oordeel dat de investeringen geldige wederbeleggingen uitmaken in “gebouwde onroerende goederen”.

Concreet ging het om volgende uitgevoerde werken:

  • verbouwingswerken
  • schrijnwerkerij
  • plaatsing van een keuken 
  • glas-, dak-, tegel- en sanitaire werken.

De belastingadministratie is evenwel van oordeel dat de herbelegging laattijdig is gebeurd, aangezien verbouwings- en verbeteringswerken aan onroerende goederen niet kunnen beschouwd worden als investeringen in “gebouwde” onroerende goederen en bijgevolg slechts in aanmerking komen voor de herbeleggingstermijn van drie jaar.

Het Hof zag dit echter anders. De werken die de vennootschap liet uitvoeren hebben, aldus het Hof, de waarde van het onroerend goed verhoogd (na afloop van de werken werd het kadastraal inkomen van het betrokken goed aangepast). Bovendien vereist de uitvoering van ingrijpende verbouwings- en verbeteringswerken aan een bestaand onroerend goed ook vaak een lange uitvoeringstijd. Het Hof oordeelde dat de herstellings- en verbouwingswerken bijgevolg wel degelijk als een herbelegging in een gebouwd onroerend goed kunnen worden aanzien.

Ook de Rulingcommissie volgt nu, op basis van gelijkaardige overwegingen, dit standpunt in haar voorafgaande beslissing nr. 2013.177, 11/06/2013.

In eerste instantie stelt de Rulingcommissie vast dat noch de wet, noch de uitvoeringsbesluiten een omschrijving geven van het begrip “gebouwd onroerend goed” in artikel 47, §4 WIB 1992. Bijgevolg dient men terug te vallen op het gemeen recht voor wat betreft de interpretatie van het begrip.

Op basis van volgende elementen komt de Rulingcommissie zo tot de conclusie dat de door de vennootschap geplande verbouwings- en verbeteringswerken dienen beschouwd te worden als een herbelegging in een “gebouwd onroerend goed”:

  • het betreft ingrijpende werken, blijvend van aard;
  • die dienen ter verbetering van de structuur, het uitzicht, de hygiëne en het algemeen comfort of ter wijziging van de bestemming van het gebouw;
  • de investeringen zijn niet bedoeld om te worden verwijderd, maar wel om geïncorporeerd te blijven in het gebouw of minstens bestemd te blijven tot de exploitatie van die gebouwen;
  • de installaties en constructies blijven duurzaam verbonden met het gebouw: zij worden verankerd in het gebouw of er rechtstreeks aan vastgehecht door middel van starre verbindingen;
  • de investeringen worden op dezelfde grootboekrekeningen als de gebouwen zelf geboekt en afgeschreven over een termijn gelijk aan de resterende levensduur van het gebouw;
  • de werken veroorzaken een eventuele verhoging van het kadastraal inkomen (niet noodzakelijk).

De door de aanvrager geplande investeringen komen zo in aanmerking als geldige herbeleggingen binnen de verlengde termijn van 5 jaar (art. 47, §4 WIB 1992)

Conclusie

Met deze positieve ruling bevestigt de Rulingcommissie dat verbouwings- en verbeteringswerken aan bestaande gebouwen principieel in aanmerking kunnen komen voor de verlengde herbelegginstermijn voor “gebouwde onroerende goederen”. De commissie lijkt wel strikte voorwaarden op te leggen m.b.t. de concrete investeringen. Samenvattend moet in dit verband het begrip “gebouwde onroerende goederen” in zijn gemeenrechtelijke betekenis worden begrepen (cf. onroerende goederen uit hun aard of door bestemming).

Verder dienen de investeringen geactiveerd te worden onder dezelfde balansrekening en afgeschreven te worden over de resterende levensduur van het gebouw zelf.

Louis Mortier, Tax & Legal Services


Gepubliceerd op 30/06/2014.


 

Did you find this useful?