agentuurovereenkomst

Article

Verstrengde Kaaimantaks: impact op de aangifte personenbelasting

KMO-update

De kaaimantaks, van toepassing vanaf 1 januari 2015, zal voor het eerst zijn uitwerking vinden in de aangifte in de personenbelasting voor aanslagjaar 2016 waarvan het formulier recent gepubliceerd werd. De veelbesproken taxshift-wet van eind 2015 heeft bovendien nog een aantal bijkomende verstrengende bepalingen ingevoerd inzake de meldingsplicht van juridische constructies en de kaaimantaks. Wij zetten de voornaamste wijzigingen even op een rijtje.

De kaaimantaks: het principe

Met de kaaimantaks of doorkijkbelasting wordt een volkomen fiscale transparantie ingevoerd waarbij de inkomsten, verkregen door een geviseerde juridische constructie, belast worden in hoofde van de oprichter (Belgisch rijksinwoner) van die juridische constructie, alsof die oprichter ze rechtstreeks heeft verkregen. De inkomsten zullen dus onderworpen worden aan de personenbelasting in hoofde van de oprichter, ook al heeft er geen effectieve toekenning van het inkomen plaatsgevonden. De aard van de inkomsten blijft ongewijzigd (roerend, onroerend,…) en de inkomsten ondergaan hun gewoon aanslagstelsel (progressieve belasting op onroerende inkomsten, 25 % op interesten en dividenden van 2015, vrijstelling voor meerwaarde op aandelen,…)

De fictie van belastbaarheid in hoofde van de oprichter geldt niet wanneer wordt aangetoond dat de inkomsten, die werden verkregen door de juridische constructie, tijdens het belastbaar tijdperk werden betaald of toegekend aan een derde begunstigde die inwoner is van België of van een informatie uitwisselende Staat. Indien de derde begunstigde een Belgisch rijksinwoner is, geldt de fiscale transparantie in hoofde van deze persoon.

Juridische constructie: 2 types

Onder juridische constructie worden twee types van vermogensstructuren verstaan, nl. enerzijds de trust-structuren en fiduciaire verhoudingen (type 1) en anderzijds de laag of niet-belaste rechtspersonen (type 2).

Een type 2 constructie is een constructie die vrijgesteld is van inkomstenbelasting of onderworpen is aan een inkomstenbelasting die minder bedraagt dan 15% van het belastbaar inkomen van de juridische constructie, vastgesteld overeenkomstig de Belgische fiscale regels. Het betreffen in hoofdzaak stichtingen met rechtspersoonlijkheid, foundations, limiteds, anstalts en vennootschappen gelegen in belastingparadijzen.

De geviseerde type 2 constructies gevestigd in een EER-Staat zijn bij KB limitatief (en onweerlegbaar) vastgelegd. De lijst werd uitgebreid en viseert momenteel volgende constructies binnen de EER:

  • Liechtenstein: de Stiftung en de Anstalt;
  • Luxemburg: de SPF en de Fondation Patrimoniale ;
  • de ICB’s: beleggingsvennootschappen, pensioenfondsen en beursgenoteerde vennootschappen waarvan de rechten geconcentreerd zijn bij één persoon of meerdere met elkaar verbonden personen;
  • de hybride vennootschappen die naar Belgisch fiscaal recht niet transparant worden behandeld, terwijl dit in het land van vestiging van de vennootschap wel het geval is. Deze kwalificatie is slechts van toepassing ingeval de vennootschap inkomsten van Belgische oorsprong verkrijgt.

De EER-constructies die niet op deze lijst voorkomen vallen voorlopig niet onder de kaaimantaks en meldingsplicht.

Wat de niet-EER type 2 constructies betreft, werd een zuiver illustratieve en niet-limitatieve lijst bij KB dd. 23.08.2015 (BS 28.08.2015) gepubliceerd. Dit wil zeggen dat type 2 constructies gevestigd buiten de EER, die niet op de lijst voorkomen, toch onderworpen kunnen zijn aan de doorkijkbelasting als ze in dat land een belastingdruk van minder dan 15% ondergaan. Deze lijst vermeldt o.a. Stichting Particulier Fonds op de Nederlandse Antillen en de Zwitserse Foundation.

De niet-EER lijst betreft een weerlegbare lijst: ingeval aangetoond kan worden dat de belastingdruk van de constructie die voorkomt op de lijst minstens 15% bedraagt, zal de kaaimantaks geen uitwerking vinden en zal de juridische constructie niet moeten worden gemeld.

Extra in de aangifte te vermelden gegevens m.b.t. de juridische constrcutie

Tot op heden moest in de aangifte personenbelasting enkel het bestaan van een juridische constructie en de naam van de oprichter of derde begunstigde worden vermeld (vak XIV punt C). Vanaf aanslagjaar 2016 (inkomstenjaar 2015) moet de oprichter of derde begunstigde niet enkel het ‘bestaan’ van de juridische constructie vermelden maar ook de volledige naam, de rechtsvorm, het adres en desgevallend ook het identificatienummer de juridische constructie. Voor de fiduciaire structuren (type 1) moet eveneens de naam en het adres van de beheerder worden vermeld.

Verruiming van de meldingsplicht

Oorspronkelijk moest het bestaan van een juridische constructie met een “daadwerkelijke economische activiteit” niet worden vermeld in de aangifte en was de kaaimantaks niet van toepassing (de substance-vrijstelling).

Ingevolge de verstrengende bepalingen moet de oprichter of derde begunstigde die zich voortaan wil beroepen op de substance-vrijstelling, jaarlijks toch het bestaan van dergelijke juridische constructie vermelden in de aangifte (vak XIV punt C). Desalniettemin zal de kaaimantas niet van toepassing zijn wanneer de belastingplichtige in de aangifte aankruist dat de juridische constructie aan de vereiste vrijstellingsvoorwaarden voldoet. Dat effectief aan de voorwaarden van de substance-vrijstelling voldaan is, moet de oprichter of derde begunstigde op verzoek van de fiscus kunnen aantonen. Op deze manier worden de controlemogelijkheden van de fiscus dus gevoelig uitgebreid.

Aangifte van de transparant te belasten inkomsten

Op basis van het aangifteformulier dat recent gepubliceerd werd kunnen we afleiden dat er geen bijkomende codes werden voorzien in het aangifteformulier voor de inkomsten die onderworpen zijn aan de kaaimantaks. De transparant te belasten inkomsten zullen dus samen met de overige inkomsten moeten worden aangegeven, zonder dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen (i) inkomsten die rechtstreeks door de belastingplichtige zijn behaald en (ii) inkomsten die door juridische constructie zijn behaald maar die in hoofde van de achterliggende oprichter of derde begunstigde worden belast in het kader van de kaaimantaks.

Nieuwe specifieke antimisbruikbepaling

Van de kaaimantaks zijn een aantal instellingen uitgesloten, waaronder collectieve beleggingsinstellingen, pensioenfondsen en beursgenoteerde vennootschappen. Op zich blijven deze uitsluitingen behouden, doch wil men vermijden dat de kaaimantaks ontweken wordt door het samen investeren met verbonden personen in entiteiten die onder de uitsluiting vallen. Om dit uit te sluiten wordt nu een bepaling ingevoerd die de verschillende vrijstellingen niet van toepassing verklaart ten aanzien van de instellingen, entiteiten en vennootschappen waarvan al de rechten door één persoon of meerdere met elkaar verbonden personen, worden aangehouden.

De term verbonden wordt erg breed opgevat door de Belgische regering: een persoon samen met zijn echtgenote, samenwonende partner, kinderen, broers of zussen, neven of nichten, ooms of tantes, tot overgrootouders en achterkleinkinderen toe, alsook personen die op hetzelfde adres woonachtig zijn, eventueel samen met gecontroleerde vennootschappen.

Concreet wil dit zeggen dat een collectieve beleggingsinstelling of pensioenfonds waarvan de aandeelhouders als ‘onderling verbonden’ kwalificeren, wel degelijk onder de kaaimantaks valt. Dit geldt ook voor de instellingen gelegen in de EER. Het EER-KB werd daartoe namelijk uitgebreid (zie hierboven). Concreet wil dit zeggen dat een Luxemburgse Sicav waarvan de aandeelhouders als ‘onderling verbonden’ kwalificeren onder de kaaimantaks valt.

Lise Coteur – Tax Department

Gepubliceerd op 8/04/2016

Version française
Did you find this useful?