Article

Wat met lopende contracten in het geval van faillissement of WCO?

KMO-update

Een typische clausule in een contract is dat elke partij te allen tijde de overeenkomst kan beëindigen “in geval van uitzonderlijke omstandigheden die elke verdere professionele samenwerking tussen partijen verder onmogelijk maken […]”. Verder wordt dan vaak verduidelijkt dat onder die “uitzonderlijke omstandigheden” wordt begrepen: “het faillissement, de WCO, [….]”.

Maar kan de ene partij wel de overeenkomst ontbinden in het geval van faillissement of WCO bij de andere? En wat als er helemaal niets is bepaald?

In het geval van faillissement hangt dit af van uw contract. Is er een uitdrukkelijk ontbindend beding zoals hierboven, dan maakt het faillissement een einde aan de lopende overeenkomst. Is zo een beding niet aanwezig is maar gaat het om een “intuitu personae”-contract, dan zal het faillissement ook het einde van het contract betekenen.

Is er tot slot noch een clausule, noch een intuitu personae-karakter aanwezig, dan zal de curator beslissen over het lot van de lopende overeenkomsten. Hij kan daar echter niet zomaar een einde aan stellen. Daarvoor moet de beëindiging noodzakelijk zijn voor het beheer van de boedel als een goed huisvader. De voortzetting van de contracten mag de normale vereffening niet beperken.

Bij een WCO (een situatie die volgt uit de “Wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen”) liggen de zaken daarentegen helemaal anders.

De wet bepaalt namelijk zeer uitdrukkelijk dat de aanvraag of opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie geen einde stelt aan de lopende contracten. Dit geldt zelfs wanneer er een clausule aanwezig is die het tegendeel beweert.
Dit betekent dat een beëindigingsclausule zoals hierboven, allesbehalve een garantie biedt op een succesvolle beëindiging van de overeenkomst.

Moest de onderneming in moeilijkheden nog een contractuele wanprestatie hebben begaan vóór de toekenning van de opschorting, dan kan de andere partij wel de overeenkomst beëindigen indien de onderneming in moeilijkheden de overeenkomst niet uitvoert binnen de 15 dagen na ingebrekestelling.

Voor de onderneming in moeilijkheden zelf voorziet de wet wel een mogelijkheid om het contract (uitgezonderd de arbeidsovereenkomsten) niet uit te voeren zolang de opschorting duurt, ook al is er geen contractuele bepaling in die zin. Deze mogelijkheid bestaat onder de voorwaarde dat de beëindiging noodzakelijk is om een reorganisatieplan te kunnen voorstellen aan de schuldeisers of om de overdracht onder gerechtelijk gezag mogelijk te maken. Kortom: indien de beëindiging nodig is voor het voortbestaan van de onderneming. De contractspartij behoudt wel haar recht om haar eigen prestaties op te schorten indien de onderneming in moeilijkheden beslist van het contract (voorlopig) niet uit te voeren.

Een eventuele schadevergoeding ten gevolge van deze niet-uitvoering door de onderneming in moeilijkheden, wordt beschouwd als een schuldvordering in de opschorting.
De opschorting verhindert wel niet dat wederzijdse vorderingen gecompenseerd kunnen worden in de mate dat deze volledig voor of volledig na de WCO zijn ontstaan. Indien een contractspartij haar schuld van voor de opening van de WCO wil compenseren met een schuld van de onderneming in moeilijkheden van na de opening van de WCO, moeten beide schulden samenhangend zijn.

Niele Dams – Legal Department

Did you find this useful?