Article

Hoe de werkelijkheid van managementprestaties bewijzen?

KMO-update

In het kader van de aftrekbaarheid van managementprestaties is er al heel wat discussie geweest. In het verleden heeft de rechtspraak hierover vaak verschillende meningen gekend. Maar in meer recente arresten vindt men vaker eenzelfde denklijn, die ook de voorbode is van wat het Hof van Cassatie recentelijk in haar arrest van 15 oktober 2015 heeft beslist.

De feiten die mede aanleiding hebben gegeven tot het cassatiearrest zijn als volgt: NV X laat zich in de uitbating van haar activiteit bijstaan door een managementvennootschap. De aandeelhouders als ook de bestuurders van de NV X zijn nagenoeg dezelfde als deze van de managementvennootschap. Tussen de NV X en de managementvennootschap bestaat er een schriftelijke managementovereenkomst en tevens vereffende facturen i.h.k.v. haar prestaties. N.a.v. een fiscale controle verwerpt de fiscus de betaalde en in aftrek genomen managementvergoedingen echter en beschouwt zij deze als liberaliteiten. De fiscus acht de aftrekbaarheidsvoorwaarden van artikel 49 WIB1992 niet vervuld. Zij is van mening dat – ondanks de overeenkomst en de vereffende facturen – de belastingplichtige er niet in slaagt om de werkelijkheid van de onderliggende prestaties van de managementvennootschap aan te tonen.

Uiteindelijk na ook in de fase van het administratief beroep in het ongelijk gesteld te zijn, legt de belastingplichtige de zaak voor aan de rechtbank. Volgens hem vereist artikel 49 WIB1992 niet dat de werkelijkheid van de prestaties dient bewezen te worden, het bewijs van de echtheid en het bedrag van de kosten volstaat.

Ondanks de argumentatie van de belastingplichtige, beslissen zowel de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (24 februari 2012) als het hof van beroep te Antwerpen (26 november 2013) dat de belastingplichtige niet voldoet aan de wettelijke aftrekbaarheidsvoorwaarden door enkel een schriftelijke managementovereenkomst en vereffende facturen voor te leggen. Beide rechtscolleges zijn van mening dat deze documenten enkel het begin van bewijs uitmaken, waardoor zij door andere bewijselementen moeten ondersteund worden. Zij oordelen dat objectieve gegevens de werkelijkheid van de prestaties moeten kunnen staven vooraleer de aftrekbaarheid kan gelden.

Uiteindelijk komt de problematiek terecht bij het Hof van Cassatie. Alhoewel het cassatiearrest niet meteen baanbrekend is, is het toch relevant en in zekere zin vernieuwend.

Vooreerst neemt het Hof van Cassatie een duidelijke stelling in m.b.t. artikel 49 WIB1992. Het hof stelt dat artikel 49 WIB92 in beginsel niet toe laat om kosten af te trekken die niet aan werkelijke prestaties beantwoorden. Tevens is het hof van mening dat de belastingplichtige steeds het bewijs moet kunnen leveren dat de kosten waarvoor hij aftrek vraagt, beantwoorden aan werkelijk geleverde prestaties. Het volstaat dus niet om de echtheid en het bedrag te bewijzen. Het hof stelt zelfs dat een niet-gesimuleerde overeenkomst, facturen en het bewijs van betaling van deze facturen geen afdoend bewijs vormen voor het bestaan van werkelijk verrichte prestaties.

Dit is een belangrijke uitspraak, aangezien de fiscus vanaf heden hierdoor zelfs niet meer moet kunnen aantonen of het al dan niet gaat om een gesimuleerde dan wel een niet-gesimuleerde overeenkomst. De fiscus kan dus in casu stellen dat er onvoldoende elementen aanwezig zijn om de werkelijkheid van de prestaties te bewijzen en bijgevolg de aftrekbaarheid te verantwoorden. Het komt dus aan de belastingplichtige toe om bijkomende bewijzen te leveren en aan te tonen dat de kosten de tegenprestatie vormen van werkelijk verrichte prestaties.

In het cassatiearrest wordt echter niet expliciet vermeld welke andere gegevens dan wel nodig zijn om de aftrekbaarheid van de managementvergoedingen te kunnen verantwoorden. De belastingplichtige blijft dus achter met de open vraag welke concrete bewijselementen dan wel van hem verwacht worden om de werkelijkheid van de prestaties te kunnen aantonen en de aftrekbaarheid van de kosten te kunnen verantwoorden.

Sofie De Wachter – Tax Department

Gepubliceerd op 20/05/2016

Version française
Did you find this useful?