Article

KMO-update

Wet kmo-financiering: eindelijk een specifiek kader voor het ondernemerskrediet

Om een einde te stellen aan de lacune van een duidelijk en afgebakend wettelijk kader voor kredietverlening aan KMO’s, riep de wetgever eind vorig jaar de Wet KMO financiering in het leven. (Wet van 21/12/2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering van kleine en middelgrote ondernemingen, BS 31/12/2013 – hierna de “Wet”).

Deze Wet trad in werking op 1 maart 2014 en wordt verder geconcretiseerd in een gedragscode die dwingend dient nageleefd te worden. Voor heel wat bepalingen van de Wet haalde de wetgever zijn mosterd bij het consumentenkrediet. Maar hoe streng precies zijn deze nieuwe regels? En betekent dit echt meer bescherming voor de KMO? Tijd voor een kort overzicht.

Doelstellingen

Met de introductie van de nieuwe Wet, tracht de wetgever drie doelen te realiseren: (i) een vlottere toegang tot het krediet; (ii) een transparantere, goedkopere kredietmarkt; en (iii) een beter evenwicht tussen de rechten en plichten van de kredietgevers en KMO’s.

Voornoemde doelstellingen dienen bereikt te worden door, onder meer: het naleven van een specifieke zorgvuldigheidsplicht, het aan banden leggen van de wederbeleggingsvergoeding (zijnde de vergoeding die de kredietgever mag aanrekenen aan de kredietnemer wegens de vervroegde terugbetaling van het krediet) en het strikt reglementeren van bepaalde clausules in de kredietovereenkomst.

Toepassingsgebied

De Wet is van toepassing op alle kredietovereenkomsten gesloten tussen een Belgische kredietgever (op voorwaarde dat dit onder diens commerciële of beroepsactiviteit valt) en een onderneming met vestiging of maatschappelijke zetel in de EER. Hoewel algemeen wordt gesproken over ondernemingen, viseert de Wet louter KMO’s, zoals blijkt uit de definities van de Wet, daar deze meer kans lopen om over onvoldoende onderhandelingsvermogen of middelen te beschikken om in een evenwichtige relatie met de kredietgever te kunnen staan.

Van zodra het jaargemiddelde van het personeelsbestand van de KMO evenwel meer dan 100 bedraagt, valt deze buiten het toepassingsgebied van de Wet. Onder een kredietovereenkomst dient te worden begrepen: een krediet waarbij geld ter beschikking wordt gesteld tegen de eenvoudige voorwaarde dat dit volgens vastgelegde modaliteiten wordt terug betaald (zoals investeringskredieten, kaskredieten en straight loans). Het mag echter niet gaan om kredieten die onderworpen zijn aan strengere reglementering, zoals discontokrediet en derivaten.

Zorgvuldigheidsplicht en transparantie

De Wet voorziet in een zorgvuldigheidsplicht en meer transparantie. Dit gebeurt onder de vorm van een informatie- en adviesplicht in hoofde van de kredietgever. Zo zal de kredietgever onder meer alle informatie dienen te vragen die nodig is om: (i) de financiële situatie en de haalbaarheid van het project waarvoor het krediet wordt aangevraagd, te beoordelen en (ii) een krediet aan te bieden die qua soort het best is aangepast aan de bewuste KMO.

Daarnaast dient de kredietgever, wanneer de KMO hierom verzoekt, een ontwerpkredietovereenkomst te verstrekken, alsook een samenvatting van de essentiële elementen van de kredietovereenkomst en dit middels een gestandaardiseerd document. Hoewel de meeste verplichtingen op de kredietgever rusten, voorziet de Wet ook in mindere mate in een informatie- en onderzoeksplicht in hoofde van de KMO.

Wederbeleggingsvergoeding

Voorafgaand aan de Wet, bestond er in de markt heel wat discussie omtrent de toegelaten hoogte van de wederbeleggingsvergoeding. De wetgever heeft deze discussie een halt toegeroepen door het implementeren van volgende regels: (i) bij een oorspronkelijke kredietbedrag van ten hoogstens 1 miljoen, mag de vergoeding maximaal zes maanden interest bedragen en (ii) bij een oorspronkelijke kredietbedrag van meer dan 1 miljoen, hebben partijen de mogelijkheid om de wederbeleggingsvergoeding contractueel vast te leggen, conform de berekeningsformaliteiten vastgesteld in de gedragscode.

Om op transparante wijze te kunnen bepalen of er sprake is van een kredietbedrag dat lager of hoger is dan 1 miljoen, heeft de wetgever ook dienaangaande strikte regels vastgelegd.

Onrechtmatige bedingen

Tot slot bevat de Wet tevens een aantal regels met betrekking tot de algemene opzegbedingen die kredietovereenkomsten kunnen bevatten. De uitdrukkelijke ontbindende bedingen (vb. recht om te ontbinden ingeval van wanprestatie door de onderneming) en ontbindende voorwaarden (vb. ontbinding van rechtswege omwille van faillissement van de onderneming) blijven daarbij buiten schot van de Wet. Zowel voor kredietovereenkomsten van bepaalde of onbepaalde duur wordt de invoeging van een opzegbeding toegelaten. Voor overeenkomsten van bepaalde duur is dit evenwel maar aanvaardbaar voor zover is voorzien in een redelijke schadevergoeding ten voordele van de KMO in het geval deze van dat beding zou gebruikmaken, behoudens overmacht of wanprestatie. Voor een overeenkomst van onbepaalde duur dient de overeenkomst te voorzien in een redelijke opzegtermijn in plaats van een schadevergoeding.

Betekent deze wetgeving een stap vooruit?

De Wet lijkt door het opdringen van formalisatie vooral te kunnen bijdragen aan een beter contractevenwicht. Hierdoor verkrijgen KMO’s een beter zicht op de kosten verbonden aan een krediet, wat uiteindelijk de vergelijkbaarheid tussen verschillende kredietvoorstellen vergemakkelijkt. Nu enkel hopen dat de bepalingen van Wet, die door hun algemeenheid soms voor verschillende interpretaties vatbaar zijn, uniform worden ingevuld. Het gevaar bestaat ook steeds dat kredietgevers het opzet van de Wet zullen trachten te omzeilen, bijvoorbeeld door het risico op vervroegde terugbetaling reeds in te calculeren om de in hun prijszetting.

Hoewel kan geconcludeerd worden dat het wettelijk kader op het eerste zicht een grote verbetering met zich meebrengt voor de KMO, zal de implementatie hiervan in de praktijk toch verder nauwgezet in de gaten moeten gehouden worden.

Liesl Molinarolli, Tax & Legal Services

Gepubliceerd op 25/11/2014.

version française

Om een einde te stellen aan de lacune van een duidelijk en afgebakend wettelijk kader voor kredietverlening aan KMO’s, riep de wetgever eind vorig jaar de Wet KMO financiering in het leven. (Wet van 21/12/2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering van kleine en middelgrote ondernemingen, BS 31/12/2013 – hierna de “Wet”).

Deze Wet trad in werking op 1 maart 2014 en wordt verder geconcretiseerd in een gedragscode die dwingend dient nageleefd te worden. Voor heel wat bepalingen van de Wet haalde de wetgever zijn mosterd bij het consumentenkrediet. Maar hoe streng precies zijn deze nieuwe regels? En betekent dit echt meer bescherming voor de KMO? Tijd voor een kort overzicht.

Doelstellingen

Met de introductie van de nieuwe Wet, tracht de wetgever drie doelen te realiseren: (i) een vlottere toegang tot het krediet; (ii) een transparantere, goedkopere kredietmarkt; en (iii) een beter evenwicht tussen de rechten en plichten van de kredietgevers en KMO’s.

Voornoemde doelstellingen dienen bereikt te worden door, onder meer: het naleven van een specifieke zorgvuldigheidsplicht, het aan banden leggen van de wederbeleggingsvergoeding (zijnde de vergoeding die de kredietgever mag aanrekenen aan de kredietnemer wegens de vervroegde terugbetaling van het krediet) en het strikt reglementeren van bepaalde clausules in de kredietovereenkomst.

Toepassingsgebied

De Wet is van toepassing op alle kredietovereenkomsten gesloten tussen een Belgische kredietgever (op voorwaarde dat dit onder diens commerciële of beroepsactiviteit valt) en een onderneming met vestiging of maatschappelijke zetel in de EER. Hoewel algemeen wordt gesproken over ondernemingen, viseert de Wet louter KMO’s, zoals blijkt uit de definities van de Wet, daar deze meer kans lopen om over onvoldoende onderhandelingsvermogen of middelen te beschikken om in een evenwichtige relatie met de kredietgever te kunnen staan.

Van zodra het jaargemiddelde van het personeelsbestand van de KMO evenwel meer dan 100 bedraagt, valt deze buiten het toepassingsgebied van de Wet. Onder een kredietovereenkomst dient te worden begrepen: een krediet waarbij geld ter beschikking wordt gesteld tegen de eenvoudige voorwaarde dat dit volgens vastgelegde modaliteiten wordt terug betaald (zoals investeringskredieten, kaskredieten en straight loans). Het mag echter niet gaan om kredieten die onderworpen zijn aan strengere reglementering, zoals discontokrediet en derivaten.

Zorgvuldigheidsplicht en transparantie

De Wet voorziet in een zorgvuldigheidsplicht en meer transparantie. Dit gebeurt onder de vorm van een informatie- en adviesplicht in hoofde van de kredietgever. Zo zal de kredietgever onder meer alle informatie dienen te vragen die nodig is om: (i) de financiële situatie en de haalbaarheid van het project waarvoor het krediet wordt aangevraagd, te beoordelen en (ii) een krediet aan te bieden die qua soort het best is aangepast aan de bewuste KMO.

Daarnaast dient de kredietgever, wanneer de KMO hierom verzoekt, een ontwerpkredietovereenkomst te verstrekken, alsook een samenvatting van de essentiële elementen van de kredietovereenkomst en dit middels een gestandaardiseerd document. Hoewel de meeste verplichtingen op de kredietgever rusten, voorziet de Wet ook in mindere mate in een informatie- en onderzoeksplicht in hoofde van de KMO.

Wederbeleggingsvergoeding

Voorafgaand aan de Wet, bestond er in de markt heel wat discussie omtrent de toegelaten hoogte van de wederbeleggingsvergoeding. De wetgever heeft deze discussie een halt toegeroepen door het implementeren van volgende regels: (i) bij een oorspronkelijke kredietbedrag van ten hoogstens 1 miljoen, mag de vergoeding maximaal zes maanden interest bedragen en (ii) bij een oorspronkelijke kredietbedrag van meer dan 1 miljoen, hebben partijen de mogelijkheid om de wederbeleggingsvergoeding contractueel vast te leggen, conform de berekeningsformaliteiten vastgesteld in de gedragscode.

Om op transparante wijze te kunnen bepalen of er sprake is van een kredietbedrag dat lager of hoger is dan 1 miljoen, heeft de wetgever ook dienaangaande strikte regels vastgelegd.

Onrechtmatige bedingen

Tot slot bevat de Wet tevens een aantal regels met betrekking tot de algemene opzegbedingen die kredietovereenkomsten kunnen bevatten. De uitdrukkelijke ontbindende bedingen (vb. recht om te ontbinden ingeval van wanprestatie door de onderneming) en ontbindende voorwaarden (vb. ontbinding van rechtswege omwille van faillissement van de onderneming) blijven daarbij buiten schot van de Wet. Zowel voor kredietovereenkomsten van bepaalde of onbepaalde duur wordt de invoeging van een opzegbeding toegelaten. Voor overeenkomsten van bepaalde duur is dit evenwel maar aanvaardbaar voor zover is voorzien in een redelijke schadevergoeding ten voordele van de KMO in het geval deze van dat beding zou gebruikmaken, behoudens overmacht of wanprestatie. Voor een overeenkomst van onbepaalde duur dient de overeenkomst te voorzien in een redelijke opzegtermijn in plaats van een schadevergoeding.

Betekent deze wetgeving een stap vooruit?

De Wet lijkt door het opdringen van formalisatie vooral te kunnen bijdragen aan een beter contractevenwicht. Hierdoor verkrijgen KMO’s een beter zicht op de kosten verbonden aan een krediet, wat uiteindelijk de vergelijkbaarheid tussen verschillende kredietvoorstellen vergemakkelijkt. Nu enkel hopen dat de bepalingen van Wet, die door hun algemeenheid soms voor verschillende interpretaties vatbaar zijn, uniform worden ingevuld. Het gevaar bestaat ook steeds dat kredietgevers het opzet van de Wet zullen trachten te omzeilen, bijvoorbeeld door het risico op vervroegde terugbetaling reeds in te calculeren om de in hun prijszetting.

Hoewel kan geconcludeerd worden dat het wettelijk kader op het eerste zicht een grote verbetering met zich meebrengt voor de KMO, zal de implementatie hiervan in de praktijk toch verder nauwgezet in de gaten moeten gehouden worden.

Liesl Molinarolli, Tax & Legal Services
 

Gepubliceerd op 25/11/2014.

Did you find this useful?