natuur-bodem

Article

Wijziging VLAREBO – impact op overdrachten van bepaalde opstallen en inrichtingen

KMO-update

In het Belgisch Staatsblad van 3 december 2015 verscheen een wijzigingsbesluit van het Vlarebo.[1]  Twee wijzigingen zijn van belang voor de overdracht van gronden en worden hieronder kort toegelicht.

1.    Opstallen die geen grond zijn

Het Bodemdecreet definieert het begrip grond als de bodem of de opstallen die zich op of in de bodem bevinden, met uitzondering van de opstallen die door de Vlaamse Regering worden bepaald.

Het Vlarebo somt de opstallen op die niet als grond worden beschouwd. Het betreft onder meer scheidingsmuren en omheiningen, antennes en masten, installaties voor het opwekken van water-, wind- en zonne-energie en het waterleiding-, elektriciteits- en gasdistributienetwerk.

Dit heeft als gevolg dat dergelijke opstallen zonder toepassing van de overdrachtsbepalingen van het Bodemdecreet kunnen worden overgedragen.

De voorliggende wijziging vult de bepaling m.b.t. de opstallen op twee punten aan: enerzijds worden de uitgesloten opstallen toch als grond beschouwd als in het opstal zelf een risico-inrichting gevestigd is of was, anderzijds wordt elk uitgesloten opstal, ongeacht of er een risico-inrichting is of was in gevestigd, terug als grond beschouwd als er door emissie vanuit het opstal daadwerkelijk bodemverontreiniging tot stand kwam. Deze uitzonderingen zorgen ervoor dat de overdracht van dergelijke opstallen alsnog als een overdracht van grond wordt beschouwd.

2.    Lijst van risico-inrichtingen

Het Bodemdecreet voorziet dat gronden waarop in het verleden een risico-inrichting werd uitgebaat risicogronden zijn, ongeacht hoe ver in het verleden deze risico-inrichtingen werden uitgebaat en stopgezet. Anderzijds bepaalt het Bodemdecreet evenzeer dat de lijst van de risico-inrichtingen wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering. Het staat de Vlaamse Regering vrij om risico-inrichtingen die voor een bepaalde datum werden geëxploiteerd en stopgezet niet als risicogronden te beschouwen.

Op basis van de bij de OVAM beschikbare onderzoeksgegevens kon worden vastgesteld dat het merendeel van de inrichtingen die in een ver verleden werden uitgebaat slechts een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging bleken in te houden. Als scharnierdatum voor dit ‘ver verleden’ werd de inwerkingtreding van het ARAB op 11 februari 1946 vooropgesteld. Gronden waarop voor 11 februari 1946 een risico-inrichting werd geëxploiteerd en beëindigd, dienen dan ook niet langer als risicogronden te worden beschouwd.

Uitzonderingen op het verwaarloosbare risico op bodemverontreiniging werden vastgesteld m.b.t. onder meer leerlooierijen, gasfabrieken en loodwitfabrieken. Dergelijke inrichtingen die werden geëxploiteerd en beëindigd voor 11 februari 1946 worden evenmin als risico-inrichtingen beschouwd maar blijven wel opgenomen in de gemeentelijke inventaris en kunnen door de OVAM ambtshalve worden onderzocht. Ze worden in de lijst van de risico-inrichtingen aangeduid met de letter “I”.

Verder wordt de lijst van de inrichtingen die niet als risico-inrichtingen worden beschouwd, aangevuld met tijdelijke inrichtingen, mobiele of verplaatsbare inrichtingen, het gebruik van afvalstoffen voor functionele verhardingen die duidelijk te onderscheiden zijn van de bodem en inrichtingen in het kader van bodemsaneringswerken.

Steven Deleersnyder – Sertius

 

[1] Besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (BS 3 december 2015).

Did you find this useful?