Bemiddeling Ombudsman Pensioenen niet altijd succesvol

Article

Bemiddeling Ombudsman Pensioenen niet altijd succesvol

Pensioen Magazine Q3 2017

Wat zijn de hoogtepunten van het afgelopen jaar op het gebied van veranderingen in wet- en regelgeving? We zien dat veranderingen in wet- en regelgeving resulteren in klachten bij de ombudsman. Dit artikel is ook geplaatst in het Pensioen Magazine.

Pensioen magazine kosteloos ontvangen? U kunt dat hier aanvragen

Bemiddeling Ombudsman Pensioenen niet altijd succesvol

In het voorjaar van 2017 heeft drs. Piet Keizer in zijn functie als Ombudsman Pensioenen het Jaarverslag 2016 uitgebracht. Als Ombudsman Pensioenen is de heer Keizer actief als onafhankelijk bemiddelaar in klachten en geschillen. De ombudsman kan vanuit zijn onafhankelijke positie door het geven van tekst en uitleg of het toelichten van een standpunt van een pensioenuitvoerder zowel klager als pensioenuitvoerder van dienst zijn. We zien dat veranderingen in wet- en regelgeving resulteren in klachten bij de ombudsman. In dit artikel worden de hoogtepunten van het afgelopen jaar besproken.

Pensioen september 2017

Formele Adviezen

Als een klacht niet via bemiddeling is op te lossen, kan de ombudsman op grond van het Reglement Ombudsman Pensioenen een Formeel Advies uitbrengen aan een betrokken pensioenuitvoerder. Een Formeel Advies van de ombudsman is niet bindend, maar wordt doorgaans wel gevolgd.

In zowel 2015 als 2016 heeft de ombudsman een Formeel Advies uitgebracht ter zake van de premievrije voortzetting van pensioenopbouw wegens arbeidsongeschiktheid. Het Advies van 2015 bleek van dusdanig belang, dat het de aanleiding vormde voor een bedrijfstakbrede aanbeveling van de ombudsman.

Premievrije voortzetting wegens arbeidsongeschiktheid

In het geschil van 2015 was de klager sinds augustus 2007 tot de pensioendatum van 1 januari 2014 volledig arbeidsongeschikt. Na augustus 2007 bleef de klager deelnemer van het fonds op grond van premievrije voortzetting wegens arbeidsongeschiktheid. Het fonds heeft meerdere keren, via de Uniforme Pensioenoverzichten van 2008 tot en met 2010, de toekenningsbrief en antwoorden op expliciete vragen over het voorwaardelijke pensioen, een voorwaardelijk pensioen aan de klager toegezegd. Het fonds trok met het schrijven van 28 januari 2014 echter het recht op een voorwaardelijk pensioen in. Als gevolg hiervan werd het recht op ouderdomspensioen lager dan in eerste instantie eind 2013 in een toekenningsbrief was vermeld.

De ombudsman heeft het fonds op de tekst van het Sociaal Akkoord tussen regering en sociale partners gewezen, waaruit bleek dat het niet gaat om werknemerschap, maar om deelnemerschap tot de pensioendatum om in aanmerking te komen voor een voorwaardelijk pensioen. Naar aanleiding van het geschil heeft de ombudsman een Formeel Advies uitgebracht:

‘Op grond van het doel en de strekking van het voorwaardelijke pensioen, zoals tot uiting gebracht in de wettelijk voorgeschreven voorwaardelijkheidsverklaring, heeft de ombudsman geconstateerd dat niet uitsluitend werkzame deelnemers, maar alle deelnemers die aan de voorwaarden voldoen in aanmerking komen voor een voorwaardelijk pensioen. Het pensioenreglement van het fonds is naar het oordeel van de ombudsman niet voldoende duidelijk en wijkt bovendien af van de wettelijk voorgeschreven voorwaardelijkheidsverklaring. In de wettelijke, maar ook in vrijwillige communicatie van het fonds aan klager heeft het fonds herhaaldelijk en expliciet aangegeven dat klager in aanmerking komt voor het voorwaardelijke pensioen. Klager mocht hier als deelnemer op vertrouwen (‘contra proferentem’).’

In 2016 gaf de pensioenuitvoerder aan het Formele Advies niet te volgen. Het bestuur van de verantwoordelijke pensioenkoepel heeft op verzoek van de ombudsman geprobeerd de pensioenuitvoerder op andere gedachten te brengen, maar die poging bleef zonder resultaat.
Vorig jaar kreeg de ombudsman wederom een klacht binnen betreffende premievrije voortzetting van pensioen wegens arbeidsongeschiktheid. De klager werd in 2006 volledig arbeidsongeschikt, maar ontdekte pas bij zijn pensionering in 2013 dat de opbouw vanaf de laatste dag van het arbeidscontract (2006) was beëindigd. Het Formele Advies van de ombudsman in april 2016 luidde:

‘Ik adviseer het fonds klager alsnog coulancehalve premievrije pensioenopbouw toe te kennen per 10 maart 2006, doch – gezien artikel 37 PW – dwingend per 1 januari 2009.’

Na het Advies was de pensioenuitvoerder alsnog niet bereid de klager premievrije voortzetting wegens arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2009 toe te kennen. Op grond van de Regeling SUWI was de pensioenuitvoerder immers verplicht niet eerder dan per 1 januari 2011 premievrije voortzetting toe te kennen. De ombudsman heeft verder niets kunnen betekenen voor de klager, aangezien er enig juridisch draagvlak moet zijn, wil hij zijn werkzaamheden naar behoren kunnen uitvoeren.

Versnelde verhoging AOW-gerechtigde leeftijd

In 2013 besloot de regering de AOW-gerechtigde leeftijd versneld te verhogen tot 67 jaar in 2021. Het gevolg hiervan is dat sommige ouderen na hun 65ste verjaardag met een ‘AOW-gat’ geconfronteerd werden of gaan worden. Dit zijn ouderen die in de afgelopen jaren met functioneel leeftijdsontslag of prepensioen zijn gegaan of een stamrecht- of lijfrente-uitkering genieten tot hun 65ste. Hierdoor komen ouderen de laatste twee jaren tot hun 67ste geheel of grotendeels zonder inkomen te zitten.
De ombudsman ziet weinig of geen mogelijkheden voor pensioenuitvoerders. Met een redelijke pensioenvoorziening zou het pensioen eerder kunnen ingaan, waarmee de periode tot de AOW-uitkering kan worden overbrugd. Nadelen hiervan zijn dat het pensioen levenslang behoorlijk lager is en dat deze oplossing niet mogelijk is voor mensen die weinig of geen pensioen hebben opgebouwd.

Afkoop klein pensioen

De Pensioenwet geeft een eenzijdig recht aan pensioenuitvoerders om pensioenen die per jaar niet meer bedragen dan € 465,94 (bedrag 2016) ongevraagd af te kopen. Deelnemers kunnen om afkoop van een klein pensioen vragen, maar niet afdwingen. De wettelijke afkoopgrens wordt getoetst aan de hoogte van het pensioen op de pensioenrichtleeftijd. Redelijk onopgemerkt hebben de meeste pensioenfondsen in 2014 of 2015 de reglementaire pensioenrichtleeftijd verhoogd van 65 naar 67 jaar. Onder invloed van rente kan de toekomstige waarde van aanspraken op een ouderdomspensioen vanaf 67 jaar boven de afkoopgrens komen. De pensioenuitvoerder mag derhalve het pensioen niet afkopen, omdat het ouderdomspensioen op de reglementaire pensioenleeftijd van 67 jaar boven de afkoopgrens ligt.

De ombudsman heeft in dit geval niet kunnen bemiddelen vanwege de wettelijke afkoopgrens. Wel is het zeker een ontwikkeling waarmee rekening gehouden moet worden.

Overdracht en bewaring van pensioendossiers

De ombudsman doet een dringend beroep op de pensioenuitvoerders om pensioendossiers zo volledig mogelijk over te dragen en om de dossiers zeer lange tijd te bewaren. De wettelijke bewaartermijn van zeven jaar is volgens hem eigenlijk te kort. Een fout bij een overdracht kan bijvoorbeeld pas na twintig of dertig jaar aan het licht komen. Na verloop van tijd is het vaak niet meer duidelijk wat er met een pensioen is gebeurd. Het komt nu regelmatig voor dat een pensioenuitvoerder niet kan aantonen of een pensioen in het verleden is afgekocht, waaronder ook afkoop door een waardeoverdracht.

Pensioen Magazine

Dit artikel is geplaatst in het Pensioen magazine, het kwartaalmagazine van Deloitte over actuariële, financiële, juridische, fiscale en verzekeringsaspecten van pensioen.

Vond u dit nuttig?