De ins en outs van de carve out | Deloitte

Article

De ins en outs van de carve out

Pensioen Magazine Q1 2018

Pensioen carve outs hebben nog niet plaatsgevonden in Nederland. Hoewel een carve out wettelijk wel is toegestaan, bestaan er enkele obstructies in de wet die het daadwerkelijk uitvoeren van een carve out belemmeren. De belangrijkste is te vinden in artikel 58 van de Pensioenwet. Dat artikel schrijft namelijk voor dat gewezen deelnemers en gepensioneerden gelijk behandeld moeten worden als het gaat om toeslagen. En dat is niet altijd even evident wanneer de opgebouwde pensioenen zijn ondergebracht bij verschillende uitvoerders.

Wilt u magazine Pensioen in uw mailbox / brievenbus ontvangen? Laat hier uw gegevens achter.

Pensioenen bij verschillende uitvoerders

Bij een pensioen carve out worden de verplichtingen van een specifieke groep afgesplitst en ondergebracht bij een andere uitvoerder. Het meest voor de hand liggende voorbeeld is dat een pensioenfonds de pensioenrechten van alle reeds gepensioneerden overdraagt aan een verzekeraar. De pensioenaanspraken van de actieve, arbeidsongeschikte en gewezen deelnemers blijven dan achter in het pensioenfonds. In de rest van dit artikel zal dit als uitgangspunt genomen worden.
Door de afsplitsing van een groep worden er homogenere groepen gecreëerd, waarbij de verschillende uitvoerders recht kunnen doen aan de verschillen in risicotolerantie. De groep actieve deelnemers heeft bijvoorbeeld een hogere risicotolerantie dan de groep gepensioneerden, omdat zij meer tijd hebben om te herstellen van eventuele negatieve rendementen. Wanneer uitvoerders daar ook daadwerkelijk rekening mee houden in hun beleggingsbeleid, levert een carve out, in ieder geval theoretisch, voordelen op voor alle betrokkenen.

Pensioen maart 2018

Carve out potentieel voordelig voor alle betrokkenen

Na de carve out blijft in het ondernemingspensioenfonds een gemiddeld jongere groep over, met een gemiddeld langere duration (het gewogen gemiddelde van de resterende looptijd). Overeenkomstig dit gegeven kan het ondernemingspensioenfonds zijn beleggingsmix hierop aanpassen door gemiddeld meer in risicovollere beleggingsinstrumenten te investeren. Vooral op de langere termijn (die voor deze relatief jonge groep belangrijk is) vergroot dit de kans op toeslagen.

Sinds de invoering van het nieuwe financieel toetsingskader (hierna: FTK) in 2015 mogen pensioenfondsen pas gedeeltelijk toeslagen toekennen vanaf een beleidsdekkingsgraad van 110% en volledig toeslagen toekennen vanaf een beleidsdekkingsgraad van 125%. De beleidsdekkingsgraad is de gemiddelde nominale dekkingsgraad over de laatste twaalf maanden. Pensioenfondsen dienen hun beleidsbeslissingen, zoals het verlenen van toeslagen, te baseren op de beleidsdekkingsgraad. De huidige beleidsdekkingsgraad van veel pensioenfondsen was de afgelopen jaren te laag om zelfs maar gedeeltelijk toeslagen te kunnen verlenen. Vooral gepensioneerde deelnemers van wie de uitkeringen dus niet of nauwelijks zijn verhoogd met een toeslag, merken deze achteruitgang in koopkracht direct.
Wanneer de pensioenrechten van de gepensioneerden worden afgesplitst en ondergebracht bij een verzekeraar, kunnen over deze rechten sneller toeslagen worden verleend. Een verzekeraar is namelijk niet gebonden aan de eisen van het FTK. Bovendien zijn de nominale pensioenrechten bij een verzekeraar zeker gesteld. Deze kunnen dus in principe niet gekort worden, wat voor de gepensioneerden ook belangrijk is, wegens hun kortere horizon. Bij een aantal grote pensioenfondsen zijn kortingen, op basis van hun huidige dekkingsgraden, op korte termijn daarentegen niet uit te sluiten.

Als de over te dragen voorziening van de gepensioneerden bepaald wordt op basis van de nominale dekkingsgraad en deze is groter dan 100% (als deze lager is dan 100%, dan is een collectieve waardeoverdracht in beginsel wettelijk niet toegestaan), kan dit bij een verzekeraar ook leiden tot een eenmalige verhoging van de pensioenrechten.
Indien de werkgever onder IFRS of onder US GAAP rapporteert, kan het overdragen van pensioenrechten van de gepensioneerden binnen ondernemingspensioenfondsen er zelfs toe leiden dat de werkgever een deel van de voorziening die hij op de balans heeft gevormd van zijn balans kan halen. Omdat werkgevers dit over het algemeen als positief ervaren (het eigen vermogen neemt hierdoor toe en de volatiliteit van het balanstotaal neemt hierdoor af), is het niet ondenkbaar dat werkgevers bereid zijn een eenmalige extra bijdrage aan het pensioenfonds te betalen voor een carve out. Hierdoor wordt het over te dragen kapitaal van de gepensioneerden hoger en ook dit kan leiden tot een extra (eenmalige) toeslag voor de gepensioneerden, wat ook als argument gebruikt kan worden om hen te overtuigen in te stemmen met de carve out.

Carve out kan uitvoeringskosten per deelnemer doen toenemen

Wanneer de pensioenrechten van een groep gepensioneerden worden overgedragen aan een verzekeraar, neemt de omvang van het belegde vermogen van het fonds af. Dat kan ertoe leiden dat de onderhandelingspositie bij beleggers minder sterk wordt, waardoor de beleggingskosten per euro belegd vermogen kunnen toenemen. Ook de administratieve kosten per deelnemer kunnen door de krimp van het fonds toenemen. Het is daarom belangrijk te onderzoeken of de governance-structuur van het fonds kan worden aangepast om zo de bestuurlijke kosten te beperken. De verwachte kostenstijging per overgebleven deelnemer zal moeten worden meegenomen in de afweging om over te gaan tot een carve out.

Carve out praktisch nog niet mogelijk wegens wettelijke obstructies

Theoretisch lijkt een carve out wettelijk mogelijk. Er bestaat namelijk geen wet die een carve out direct tegenhoudt. Er bestaan echter wel twee wettelijke bezwaren die momenteel in de weg staan aan het daadwerkelijk uitvoeren van een carve out.

Artikel 58 Pensioenwet schrijft namelijk voor dat de toeslagen die in een pensioenregeling verleend worden aan de gewezen deelnemers minimaal gelijk moeten zijn aan de toeslagen die verleend worden aan de gepensioneerden die hebben deelgenomen aan dezelfde pensioenregeling.

Het feit dat de opgebouwde pensioenrechten van de gepensioneerden worden ondergebracht bij een andere uitvoerder verandert er niets aan dat zij hebben deelgenomen aan dezelfde pensioenregeling. Daarmee moeten de gewezen deelnemers, op basis van artikel 58, ook na de carve out minimaal dezelfde toeslagen ontvangen als de gepensioneerden.
De aanspraken van de gewezen deelnemers blijven na de carve out achter in het pensioenfonds. In het pensioenfonds kunnen over de aanspraken pas gedeeltelijk toeslagen worden verleend vanaf een beleidsdekkingsgraad van 110%. Zo kan het dus voorkomen dat in het pensioenfonds nog geen toeslagen verleend mogen worden op basis van een te lage beleidsdekkingsgraad, terwijl de verzekeraar dat wel kan, maar niet mag omdat de toeslagen voor de gewezen deelnemers minimaal gelijk moeten zijn aan die van de gepensioneerden. Dit laatste is niet in het belang van de gepensioneerden en kan dus een carve out in de weg staan.

Naar onze mening kan het probleem van minimaal dezelfde toeslag voor gewezen deelnemers en gepensioneerden in dezelfde pensioenregeling vrij eenvoudig worden opgelost door een minimale wetswijziging van artikel 58 Pensioenwet. Dit kan door in deze wet de minimaal gelijke toeslag in dezelfde pensioenregeling voor gewezen deelnemers ten opzichte van gepensioneerden te wijzigen in een minimaal gelijke toeslag bij dezelfde uitvoerder. Doordat de uitvoerders van deze twee groepen verschillend zijn na de carve out, is de vereiste van minimaal gelijke toeslag voor de gewezen deelnemers niet meer van toepassing.

Een tweede wettelijk bezwaar bestaat uit het recht tot collectieve waardeoverdracht. Artikel 83 Pensioenwet benoemt de redenen op basis waarvan een collectieve waardeoverdracht in beginsel is toegestaan. De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) heeft het recht een collectieve waardeoverdracht te verbieden wanneer deze niet resulteert in een evenwichtige belangenbehartiging voor alle betrokkenen. Bij een carve out is er echter geen sprake van een volledige collectieve waardeoverdracht, maar slechts van een partiële waardeoverdracht, waardoor deze niet valt te scharen onder een van de redenen die worden genoemd in artikel 83 Pensioenwet. Ook deze obstructie is naar onze mening eenvoudig op te lossen, door het uitvoeren van een carve out toe te voegen aan de redenen voor een waardeoverdracht en hierbij ook duidelijk te benoemen dat het gaat om een partiële waardeoverdracht.

Tijdens de behandeling van de Verzamelwet pensioenen 2017 heeft Tweede Kamerlid Lodders van de VVD een motie ingediend met het verzoek aan staatssecretaris Klijnsma bij DNB na te vragen of er mogelijk obstructies voor een carve out bestaan. Per brief van 6 oktober 2017 heeft Klijnsma op de motie van Lodders gereageerd. In haar brief geeft zij aan dat de obstructies die eerder in dit artikel genoemd zijn ook door DNB erkend worden. Ze geeft aan dat de discussie over de uitvoering van een carve out wordt verplaatst naar een nieuw kabinet, waarbij de toepasselijkheid hiervan in een nieuw pensioenstelstel direct kan worden meegenomen.

Eerste carve out moet nog worden uitgevoerd

Nadat de wettelijke obstructies zijn opgelost, kunnen fondsen daadwerkelijk overgaan tot het uitvoeren van een carve out. Er bestaat daarbij nog wel een aantal interessante vraagstukken over de praktische invulling van de carve out. De belangrijkste twee daarbij zijn hoe de waarde van het over te dragen kapitaal bepaald moet worden en wat er gebeurt met toekomstig gepensioneerden.

Voor het bepalen van de waarde van het over te dragen kapitaal zal onderhandeld moeten worden tussen de gepensioneerden, de achterblijvende groep en de werkgever. De verst uiteenlopende uitkomsten daarbij zijn het bepalen van de waarde op basis van de nominale dekkingsgraad en het bepalen van de waarde op basis van de reële dekkingsgraad. Het bepalen van de waarde op basis van de nominale dekkingsgraad pakt het gunstigst uit voor de gepensioneerden. De buffer in het pensioenfonds (het gedeelte van het vermogen dat zorgt voor een dekkingsgraad groter dan 100%) wordt dan evenredig verdeeld tussen de verschillende groepen. Wanneer de waarde bepaald wordt op basis van de reële dekkingsgraad (de toekomstige toeslagen worden dan al wel meegenomen in het berekenen van de dekkingsgraad), komt een groter gedeelte toe aan de actieve deelnemers vanwege hun langere duration.

Het doel van de carve out is het creëren van voordelen voor alle groepen door de uitvoering van de pensioenregeling meer toe te spitsen op de specifieke karakteristieken van die groepen. In lijn daarmee lijkt het het meest logisch om ook de opgebouwde pensioenen van de deelnemers die in de toekomst pensioneren op het moment van pensioneren over te dragen aan de verzekeraar. Om dit mogelijk te maken zou dit als extra bepaling aan artikel 80 Pensioenwet toegevoegd kunnen worden. Deze wet regelt namelijk de bevoegdheid tot waardeoverdracht voor pensioenfondsen bij het bereiken van de pensioendatum op grond van de pensioenovereenkomst.

Eerste carve out lijkt in aantocht

Ondanks dat er nog een aantal hobbels genomen moet worden, lijkt een carve out een verbetering in de verwachte pensioenbeloning te kunnen bieden voor alle groepen deelnemers aan een pensioenfonds. Het lijkt dus een kwestie van tijd dat de eerste carve out een feit zal zijn.

Pensioen Magazine

Dit artikel is geplaatst in het Pensioen magazine, het kwartaalmagazine van Deloitte over actuariële, financiële, juridische, fiscale en verzekeringsaspecten van pensioen.

Vond u dit nuttig?