Feitelijke uitwerking niet van belang voor kwalificatie als RVU

Article

Feitelijke uitwerking niet van belang voor kwalificatie als RVU

Pensioen Magazine Q3 2018

Het is inmiddels alweer even geleden dat we in Pensioen schreven over de Regeling Vervroegde Uitdiensttreding (hierna: RVU). In de eerste editie van 2017 werden de verschillende toetsen van de Belastingdienst en de overwegingen van de rechterlijke macht behandeld, aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een RVU. Dit werd toen onder meer gedaan aan de hand van een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De staatssecretaris is tegen deze uitspraak van het hof in cassatie gegaan; de Hoge Raad deed daarop in juni 2018 uitspraak.

Wilt u magazine Pensioen in uw mailbox / brievenbus ontvangen? Laat hier uw gegevens achter.

Wettelijke regeling van RVU

Bij de afschaffing van VUT en prepensioen op 1 januari 2005 is de RVU opgenomen in de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964). In artikel 32ba Wet LB 1964 staat dat over een uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding een eindheffing van 52% verschuldigd is door de werkgever. Artikel 32ba definieert een uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als:

‘(…) een regeling die of een gedeelte van een regeling dat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft voorafgaand aan het ingaan van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of de Algemene Ouderdomswet te voorzien in een of meer uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel tot het aanvullen van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling.’

Uit de wettekst blijkt dat het doel van de regeling en de daarmee samenhangende objectieve kenmerken leidend zijn voor de vraag of een regeling als RVU kwalificeert. Om de praktijk enigszins tegemoet te komen heeft de staatssecretaris twee besluiten gepubliceerd over de behandeling en kwalificatie van RVU’s. In het eerste besluit van 26 mei 2005 (DGB2005/3299M) zijn twee kwantitatieve toetsen opgenomen, die bepalen wanneer in ieder geval géén sprake is van een RVU. Het tweede besluit, gepubliceerd op 8 december 2005 (DGB2005/6722M), bevat een kwalitatieve toets. Deze toets bepaalt onder welke objectieve voorwaarden geen sprake is van een RVU, waarbij is bepaald dat de werkgever niet het doel en de intentie mag hebben om oudere medewerkers vervroegd te laten uittreden.

Pensioen, september 2018

Uitspraak Hoge Raad

Ondanks deze besluiten ontstond er rondom sociale plannen met een vrijwillige vertrekregeling de discussie of deze regelingen wel of niet kwalificeren als RVU. Op 22 juni 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan op het beroep in cassatie van de staatssecretaris tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) over een kwalificatie van een dergelijk sociaal plan.

In het kort is het geschil als volgt. De werkgever had in overleg met de vakbonden een sociaal plan (hierna: Sociaal Plan) opgesteld, waarin op basis van het afspiegelingsbeginsel boventallige werknemers werden aangewezen. Het Sociaal Plan bevatte daarnaast ook een ‘vrijwilligers- en plaatsmakersregeling’ (hierna: de Regeling). Boventallige werknemers en werknemers die gebruikmaakten van de Regeling ontvingen een beëindigingsvergoeding, die berekend werd op basis van de kantonrechtersformule. Een verzoek aan de inspecteur om vooraf bij beschikking te verklaren dat geen sprake was van een RVU werd door de inspecteur afgewezen.

Het hof oordeelde dat geen doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan (de bekendheid met) de feitelijke uitstroom van de oudere werknemers en de hoogte van de overeengekomen vergoedingen, omdat hieruit niet kan worden afgeleid of de regeling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend tot doel heeft gehad om een overbrugging te faciliteren tot aan de pensioendatum van de werknemer. Jongere werknemers die deelnemen aan de regeling kunnen immers niet overbruggen. De objectieve kenmerken en voorwaarden en de feitelijke invulling van de Regeling zijn leidend.
Aangezien de betreffende Regeling ertoe strekte dat alle werknemers van belanghebbende, ongeacht hun leeftijd, de mogelijkheid hadden om deel te nemen aan de regeling en de hoogte werd vastgesteld aan de hand van de objectieve kantonrechtersformule en uit de voorwaarden van de Regeling niet bleek dat er sprake was van een overbrugging tot pensioendatum, oordeelde het hof dat er geen sprake is van een RVU.

Hiertegen is de staatssecretaris in cassatie gegaan. Volgens hem had het hof doorslaggevende betekenis moeten toekennen aan de feitelijke uitstroom van werknemers en de hoogte van de overeengekomen vergoedingen, nu uit deze feiten het doel van de Regeling kenbaar wordt. Dat blijkt uit het feit dat er uiteindelijk meer dan gemiddeld oudere werknemers deelnamen aan de regeling om zo eerder te kunnen stoppen met werken.

De Hoge Raad doet bovenstaande af in slechts één rechtsoverweging. De Hoge Raad oordeelt dat bepalend is of de vergoedingen bedoeld zijn om de tijd tot aan de pensioendatum te overbruggen en dat daarbij de beweegredenen van de inhoudingsplichtige en de begunstigde niet van belang zijn. Nu in geschil is of de beschikking vooraf terecht is afgewezen, overweegt de Hoge Raad dat uitsluitend vooraf kenbare voorwaarden en kenmerken van de Regeling van belang zijn. Een beschikking kan immers alleen worden afgegeven op basis van vooraf kenbare (objectieve) kenmerken en voorwaarden van een regeling. De feitelijke uitstroom van werknemers en de hoogte van de overeengekomen vergoedingen mogen daarom niet worden meegenomen bij de beoordeling van de Regeling, nu deze gegevens niet bekend waren op het moment van aanvragen van de (afgewezen) beschikking. Daarnaast overweegt de Hoge Raad dat deze gegevens niet tot de objectieve kenmerken en voorwaarden van de Regeling behoren.

De Hoge Raad komt tot de conclusie dat het hof dan ook ten onrechte de feitelijke uitstroom van medewerkers en de hoogte van de overeengekomen vergoedingen heeft meegenomen in zijn overwegingen. Dit leidt echter niet tot cassatie, aangezien het hof desondanks tot de juiste conclusie is gekomen, namelijk dat er geen sprake is van een RVU.
De Hoge raad sluit af met het oordeel dat de cassatie van de staatssecretaris faalt, waarbij de Hoge Raad nogmaals aanhaalt dat de feitelijke uitwerking van de Regeling, waaronder dus bijvoorbeeld de feitelijke uitstroom van werknemers, niet van belang is bij de beoordeling of sprake is van een RVU.

Conclusie

De uitspraak van de Hoge Raad geeft duidelijkheid over de vraag welke (objectieve) feiten en omstandigheden van belang zijn bij de beoordeling of sprake is van een RVU. Uit het arrest volgt ondubbelzinnig dat bij de aanvraag van een beschikking vooraf uitsluitend mag worden gekeken naar de objectieve, vooraf bekende kenmerken en voorwaarden. De feitelijke uitwerking van deze kenmerken en voorwaarden is niet van belang.

Slechts indien uit deze objectieve, vooraf bekende kenmerken en voorwaarden blijkt dat de vergoeding uitsluitend, of nagenoeg uitsluitend, ten doel heeft om te dienen als overbrugging tot aan de pensioendatum, is sprake van een RVU.

Pensioen Magazine

Dit artikel is geplaatst in het Pensioen magazine, het kwartaalmagazine van Deloitte over actuariële, financiële, juridische, fiscale en verzekeringsaspecten van pensioen.

Vond u dit nuttig?