Pensioenakkoord uitgewerkt in wetgeving

Article

Pensioenakkoord uitgewerkt in wetgeving

Wat betekent dit voor pensioenfondsen?

De hoofdlijnennotitie van het Pensioenakkoord van juni jl. is eindelijk uitgewerkt in conceptwetsteksten welke op 16 december jl. ter consultatie zijn gepubliceerd. De Wet toekomst pensioenen heeft consequenties voor de regels en wettelijke informatievoorschriften waar pensioenfondsen aan moeten voldoen. Deze informatievoorschriften en de governance worden in lijn gebracht met de stelselherziening. De consultatieversie is afgestemd met sociale partners en geeft meer duidelijkheid over de wijze waarop het kabinet en de sociale partners de afspraken uit het Pensioenakkoord willen gaan in- en uitvoeren. We zetten de meest in het oog springende zaken op een rij.

Fiscaal kader

Voor alle pensioenregelingen gaat hetzelfde fiscale kader gelden in de vorm van een uniforme maximale leeftijdsonafhankelijke premiegrens. De hoogte is afgestemd op de pensioenambitie van 75% middelloon in 40 opbouwjaren (ofwel 80% bij 42 jaar). Uit de uitgevoerde berekeningen volgt dat een uniforme premie van 30% voor deze ambitie volstaat. De maximale premie is inclusief een partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum van 70% van het ouderdomspensioen. Onder de premiegrens vallen niet de kosten zoals administratiekosten en incasso- en excassokosten, maar wel de kosten voor het vermogensbeheer en het afdekken van het beleggingsrisico. De premiegrens is ook exclusief de risicopremies voor het nabestaandenpensioen en de premievrijstelling bij invaliditeit.

De premiegrens wordt tot 2036 vastgezet. Dit maximum wordt tot 2036 overigens verhoogd met 3%-punt voor het verstrekken van een compensatie. Bij schokken in de economie waardoor de premiegrens meer dan 5%-punt stijgt of daalt, zal er (ook tussentijds) een aanpassing plaatsvinden. Over eventuele aanpassingen wordt drie jaar van tevoren gecommuniceerd, zodat sociale partners deze informatie mee kunnen nemen in de cao-onderhandelingen.

Transitie: 3 mijlpalen

De sociale partners moeten uiterlijk 1 januari 2024 (mijlpaal 1) een keuze hebben gemaakt voor een nieuwe pensioenregeling op basis van een (leeftijdsonafhankelijke) beschikbare premie (premieregeling). Daarbij is de keuze ofwel het ‘nieuwe contract’ ofwel een ‘verbeterde premieregeling’. De sociale partners zijn verplicht om een transitieplan op te stellen voor de overstap naar de nieuwe regeling. Hiervoor worden zij voorzien van informatie door het pensioenfonds . De deelnemers dienen indien nodig adequaat te worden gecompenseerd voor de geleden teruggang in de verwachte pensioenuitkering. Ook de keuze over het omzetten van de bestaande pensioenen naar een kapitaal (“invaren”) is onderdeel van deze mijlpaal.

Het pensioenfonds heeft tot 1 juli 2024 (mijlpaal 2) de tijd om een implementatieplan op te stellen. In dit plan komt terug wanneer en hoe zij (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden informeren over de consequenties van de wijzigingen als gevolg van de nieuwe regeling. Ook de technische uitvoerbaarheid, de kosten en risico’s van de nieuwe regeling zijn onderdelen van het implementatieplan. Een (verplicht) onderdeel hierbij is het communicatieplan.

De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) houden toezicht op de beheerste en integere bedrijfsvoering respectievelijk de informatieverstrekking gedurende de transitieperiode. Daarna hebben de pensioenfondsen nog anderhalf jaar de tijd om alle afspraken van de nieuwe pensioenregeling in te regelen.

Tenslotte volgt mijlpaal 3: de transitie moet afgerond zijn op 1 januari 2026. Dit betekent dat er vanaf dat moment geen pensioenopbouw meer mogelijk is in een uitkeringsovereenkomst of in een premieregeling met een progressieve staffel (afgezien van eventuele overgangsregelingen).

Effect op huidig financieel toetsingskader (ftk)

Na de overgang zullen pensioencontracten bestaan uit de hoogte van de premie-inleg, het beleggingsbeleid en de rente. Daarbij hoort ook een gewijzigd financieel toetsingskader. Zo zullen de begrippen dekkingsgraad, (gedempte) kostendekkende premie en vereist eigen vermogen verdwijnen, maar blijft het minimum vereist eigen vermogen, in gewijzigde vorm, bestaan.

De transitieperiode naar het nieuwe stelsel is een intensieve periode waarbij rust en stabiliteit noodzakelijk zijn om op een verantwoorde, uitlegbare en evenwichtige manier de overgang vorm te kunnen geven. Het uitgangspunt is om de reeds bestaande pensioenen in te invaren naar een kapitaal onder de nieuwe wetgeving per 1 januari 2026. Gedurende deze periode zal daarom een aangepast financieel toetsingskader (“transitie-ftk”) gelden om te voorkomen dat ingrepen (zoals verlaging van pensioenen) plaatsvinden die onder het nieuwe stelsel niet noodzakelijk zijn. Hierbij speelt de richtdekkingsgraad een centrale rol. De richtdekkingsgraad is de dekkingsgraad waaraan een pensioenfonds moet voldoen om de pensioenen in te mogen varen. Deze is vastgesteld op tenminste 95% op het moment van invaren of op uiterlijk 1 januari 2026. Een pensioenfonds met een dekkingsgraad lager dan 95% dient een overbruggingsplan op te stellen. Dit plan bevat een herstelpad naar deze richtdekkingsgraad. Dit plan wordt uiterlijk op 1 juli 2024 ingediend. Het transitie-ftk wordt slechts toegepast zolang de intentie is om de huidige pensioenen in te varen.

Governance

De meest opvallende wijziging betreft de formele opdrachtaanvaarding door het pensioenfonds. Deze ‘opdrachtbevestiging’ volgt nadat de sociale partners de nieuwe regeling zijn overeengekomen. Het doel van de opdrachtbevestiging is tweeledig. Ten eerste bevat de opdrachtbevestiging een onderbouwing van de door het pensioenfonds gekozen inrichting en risico’s van de nieuwe regeling. Deze vloeien voort uit de arbeidsvoorwaardelijke keuzes en vallen tevens onder de discretionaire bevoegdheid van het pensioenfondsbestuur. Ten tweede borgt de opdrachtbevestiging dat het fonds en de sociale partners hetzelfde beeld hebben van de opdracht.

In deze opdrachtbevestiging zet het pensioenfonds de vastgestelde risicohouding en de voorgenomen inrichting van de pensioenregeling uiteen. Tevens onderbouwt het pensioenfonds de vormgeving en inzet van de solidariteitsreserve. Daarnaast moet het pensioenfonds in deze bevestiging aangeven hoe groot de kans is dat de beoogde pensioendoelstelling wordt behaald.

In het kader van de transitie wordt een hoorrecht geïntroduceerd voor verenigingen van pensioengerechtigden en verenigingen van gewezen deelnemers. Een belangrijke extra stap in het transitieproces is dat met dit wetsvoorstel ook de fondsorganen (verantwoordingsorgaan of belanghebbendenorgaan) inspraak krijgen. Deze inspraak ziet op het voorgenomen besluit tot invaren en de inzet van het bestaande vermogen in het kader van de transitie.

Pensioencommunicatie

Net als nu zullen pensioenfondsen correct, duidelijk en evenwichtig moeten communiceren over de pensioenregeling. De pensioenfondsen kunnen meer zelfstandig (“open norm”) bepalen welke communicatie(middelen) bij hun deelnemers past. Er zijn wel bepaalde aspecten waarover het pensioenfonds verplicht moet informeren. Een nieuw onderdeel is de keuzebegeleiding.
De huidige pensioenwetgeving bevat nagenoeg alleen verplichtingen tot informeren en in slechts een beperkt aantal gevallen bepalingen die tot adviseren verplichten. Door deze keuzebegeleiding wordt de mogelijkheid gecreëerd om te adviseren over de flexibele keuzemogelijkheden die de pensioenregeling biedt. De nieuwe open norm verplicht het pensioenfonds tot een actievere opstelling dan enkel informeren en het geven van inzicht conform de huidige wetgeving.

Wetgevingsproces

Nadat er ruim tien jaar gesproken en onderhandeld is over het nieuwe pensioenstelsel, zijn eindelijk de wetteksten ter consultatie gepubliceerd. Dit nieuwe stelsel is sinds medio vorige eeuw de meest ingrijpende wijziging van de manier waarop pensioenen worden behandeld. Dit betekent veel (extra) werk voor de sociale partners en de pensioenfondsen in de komende jaren.

Na februari 2021 zullen de uitkomsten van de consultatie worden verwerkt in het definitieve wetsvoorstel. De rest van 2021 is ingeruimd om het wetsvoorstel door beide Kamers te loodsen zodat het op 1 januari 2022 van kracht kan worden. Een ambitieus tijdspad voor een dergelijke ingrijpende wetswijziging, zeker gezien de Tweede Kamer verkiezingen van medio maart 2021.

Meer informatie

Wilt u meer weten over het Pensioenakkoord en wat dit voor uw organisatie betekent? Neem dan contact op met een van onderstaande contactpersonen.

Did you find this useful?