Pensioenleeftijd naar 68 jaar: de werkgever is aan zet

Article

Pensioenleeftijd naar 68 jaar: de werkgever is aan zet

Pensioen Magazine Q2 2017

Bij een verhoging van de pensioenrichtleeftijd worden de fiscaal maximale opbouwpercentages opnieuw bepaald. Dit resulteerde per 1 januari 2014 in een verhoging naar 67 jaar en in significante wijzigingen in de pensioenregelingen over de gehele breedte van werkgevers. Met de volgende wijziging aanstaande is de werkgever daarom opnieuw aan zet.

Pensioen magazine kosteloos ontvangen? U kunt dat hier aanvragen.

Stijging levensverwachting

Al jarenlang laten de ramingen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) een stijgende lijn zien in de levensverwachting. Dit positieve effect van de verbeterde gezondheidszorg en de ontwikkeling van de medische mogelijkheden heeft echter ook een belangrijke impact op ons pensioen. In zowel de eerste pijler (AOW) als de tweede pijler (werkgeverspensioen) wordt pensioen duurder: ouder worden betekent langer pensioen uitkeren en dat zorgt voor hogere pensioenkosten. Om die reden is in 2012 de Pensioenwet gewijzigd: onder bepaalde voorwaarden zullen de AOW- en pensioenrichtleeftijd (gestaffeld) meestijgen met de levensverwachting.

Voor de pensioenrichtleeftijd wordt daarbij gekeken naar de stijging van de levensverwachting in de volgende tien jaar. Wanneer die stijging naar verwachting groter is dan één jaar, dan wordt de pensioenrichtleeftijd met één jaar verhoogd. In lijn daarmee wordt de pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2018 met één jaar verhoogd naar 68 jaar. Overigens is deze methodiek niet onbetwist: vakbonden FNV en VCP hebben onlangs alternatieven voorgesteld waarbij niet met één jaar wordt verhoogd, maar met respectievelijk zes en acht maanden.

Pensioen juni 2017

Wat wijzigt er nu precies?

De pensioenrichtleeftijd wordt per 1 januari 2018 verhoogd naar 68 jaar. In lijn daarmee zal de staatssecretaris van Financiën via een formeel besluit de fiscaal maximale opbouw per 1 januari 2018 opnieuw bepalen. Daarop vooruitlopend heeft de staatssecretaris van Financiën voorlopige aanpassingen gepubliceerd.
Voor eind- en middelloonregelingen blijven de huidige opbouwpercentages, respectievelijk 1,657% en 1,875%, gehandhaafd. Wel zijn die maximale opbouwpercentages gericht op uitkering vanaf 68 jaar. Wordt de pensioenleeftijd op 67 jaar gehouden, dan zal het maximale opbouwpercentage dalen. Voor een middelloonregeling met een uitkering vanaf 67 jaar bijvoorbeeld is het maximale opbouwpercentage per 1 januari 2018 1,738%, een versobering ten opzichte van de huidige situatie.

Ook voor beschikbare premieregelingen heeft de staatssecretaris de maximale premiestaffels in lijn gebracht met de verhoging van de pensioenleeftijd. De maximale premiestaffels gericht op inkoop op 68 jaar zijn verlaagd ten opzichte van de huidige maximale premiestaffels, omdat de premie-inleg een jaar langer kan renderen. Voor een beschikbare premieregeling met inkoop op 67 jaar is eenzelfde mate van versobering te verwachten als bij de middelloonregeling.

Gevolgen voor pensioenregeling

De impact van deze wijzigingen op huidige pensioenregelingen is sterk afhankelijk van de invulling van die regelingen. Voor fiscaal maximale middelloonregelingen is de impact bijvoorbeeld duidelijker te bepalen dan voor een fiscaal niet-maximale beschikbare premieregeling.

Als de huidige pensioenregeling een eind- of middelloonregeling is met een fiscaal maximale pensioenopbouw, dan zal de pensioenregeling moeten worden gewijzigd om ook na 1 januari 2018 binnen het fiscale kader te blijven. Andere wijzigingen buiten beschouwing gelaten, zal voor een dergelijke regeling óf het opbouwpercentage moeten worden verlaagd óf de pensioenleeftijd worden verhoogd.
Voor een (fiscaal maximale) beschikbare premieregeling moet daarnaast ook worden gekeken naar de onderliggende rekenrente, voordat kan worden bepaald of een regeling moet worden aangepast. De maximale premiestaffels die de staatssecretaris heeft gepubliceerd, zijn gebaseerd op een rekenrente van 4%, maar deze staffels zijn niet direct te vergelijken met bijvoorbeeld een premiestaffel gebaseerd op een rekenrente van 3%.

Ongeacht het type regeling is voor een fiscaal niet-maximale regeling niet altijd direct te zeggen of de regeling na 1 januari 2018 ook nog binnen het fiscale kader valt. Daartoe kan in een verdere analyse het samenspel van opbouwpercentage of premie-inleg, pensioenleeftijd en franchise worden onderzocht en naast de fiscaal maximale lat worden gelegd.

Wanneer een pensioenregeling niet zodanig wordt aangepast dat deze past binnen het fiscale kader per 1 januari 2018, dan wordt die regeling gekwalificeerd als fiscaal bovenmatig. Dit heeft zeer ingrijpende fiscale gevolgen voor de werknemers: de opgebouwde pensioenaanspraken worden dan tot regulier inkomen gerekend en vallen niet langer onder de zogenoemde omkeerregel. Deze regel beschrijft dat pensioenaanspraken worden gezien als uitgesteld loon en pas worden belast tijdens de uitkeringsfase. Valt die regel weg, dan zal de Belastingdienst met terugwerkende kracht belasting heffen over de waarde van de opgebouwde pensioenaanspraken. Die heffing bestaat niet alleen uit maximaal 52% inkomstenbelasting, maar daarnaast ook uit 20% revisierente. Vervolgens wordt de waarde van de opgebouwde pensioenaanspraken jaarlijks in box 3 meegenomen. Het is dus noodzaak om te voorkomen dat de pensioenregeling fiscaal bovenmatig wordt per 1 januari 2018.

Werkgevers aan zet

Nu de pensioenleeftijd wordt verhoogd, zijn de werkgevers weer aan zet. Om fiscale bovenmatigheid te voorkomen en te bepalen of een wijziging noodzakelijk is, moet er kritisch naar de eigen pensioenregeling worden (laten) gekeken.

Indien een wijziging noodzakelijk blijkt, is er in de meeste gevallen een aantal opties waaruit de werkgever kan kiezen. Die keuze mag geen eenzijdige beslissing zijn: bij een regelingswijziging is instemming van de (vertegenwoordiging van) medewerkers altijd verplicht. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt naar de achtergrond van de regelingswijziging: een regelingswijziging uit strategisch oogpunt wordt op eenzelfde manier behandeld als een regelingswijziging die volgt uit de uitwerking van de Wet op de loonbelasting, zoals dat bij de verhoging van de pensioenleeftijd het geval is. Het is voor het verkrijgen van die instemming aan te bevelen de werknemers en/of de ondernemingsraad al in een vroeg stadium te betrekken bij het keuzeproces. Een versobering van de pensioenopbouw of verhoging van de pensioenleeftijd kan immers een grote impact hebben op de werknemers.

Belangrijke afweging bij een beslissing tot regelingswijziging kan zijn dat bij de verhoging van de pensioenleeftijd het gat met de ingangsleeftijd van de AOW (voorlopig) groter wordt, maar ook of en op welke manier werknemers gecompenseerd zullen worden na de regelingswijziging.

Ongeacht of de regeling wel of niet moet worden aangepast, is een tijdige start van het proces aan te raden. Het proces rondom de verhoging van de pensioenleeftijd is complex en vraagt om een zorgvuldige afhandeling. Overleg met en communicatie aan medewerkers is daarin zeer belangrijk. Ook de (on)mogelijkheden in de administratiesystemen bij de pensioenuitvoerder moeten worden onderzocht. Dat betekent dat het ook een tijdrovend proces kan zijn. Om daarmee rekening te houden en niet in tijdnood te raken wordt doorgaans een doorlooptijd van minimaal zes maanden aangehouden. Dat zou voor de verhoging van de pensioenleeftijd per 1 januari 2018 betekenen dat al voor de zomermaanden een start moet zijn gemaakt.

Blik op de toekomst

In het kader van de verhoging van de pensioenleeftijd wordt met een kritische blik naar de arbeidsvoorwaarde pensioen gekeken. Het is voor werkgevers dan ook een ideaal moment om te kijken naar het bredere ouderenbeleid en naar de rol van pensioen in het gehele arbeidsvoorwaardenpakket.

Als de ramingen van het CBS waarheid worden, zal de pensioenrichtleeftijd de komende decennia namelijk verder stijgen en zullen medewerkers tot op steeds latere leeftijd werkzaam zijn. Dit vergt een hernieuwde blik op de strategische personeelsplanning, maar kan ook van invloed zijn op de vitaliteit van het personeelsbestand. Een toekomstbestendig ouderenbeleid tot aan de pensioendatum zal daarom steeds belangrijker worden.

Naast de verwachting van een verdere stijging van de pensioenleeftijd in de komende jaren zal ook de maximale pensioenopbouw naar verwachting verder worden versoberd. Hierdoor zal pensioen een minder significant onderdeel worden van het arbeidsvoorwaardenpakket en kan ter compensatie worden gekeken naar het aanvullen van bestaande arbeidsvoorwaarden of het introduceren van nieuwe arbeidsvoorwaarden, zoals een opleidingsbudget of zorg- en hypotheekbijdragen.

Conclusie

Met de verhoging van de pensioenleeftijd per 1 januari 2018 wordt de fiscaal maximale pensioenopbouw verder versoberd. De bal ligt nu opnieuw bij de werkgever. Deze zal samen met zijn werknemers moeten onderzoeken of de pensioenregeling nog voldoet aan het fiscale kader en, indien nodig, moeten kiezen voor een regelingswijziging. Daarbij is zorgvuldigheid en tijdigheid geboden, evenals een open blik naar de bredere arbeidsvoorwaarden en het ouderenbeleid.

Meer lezen over pensioen?

Dit artikel is geplaatst in het Pensioen magazine, het kwartaalmagazine van Deloitte over actuariële, financiële, juridische, fiscale en verzekeringsaspecten van pensioen.

Vond u dit nuttig?

Gerelateerde onderwerpen