Relevante wijzigingen als gevolg van belastingplan 2019

Article

Relevante wijzigingen als gevolg van belastingplan 2019

Belastingplan 2019

Onlangs zijn de fiscale plannen van het kabinet voor 2019 bekend gemaakt. Wij hebben voor de zorgsector de meest relevante wijzigingen voor u op een rij gezet.

Beperking looptijd 30%-regeling loonbelasting

De looptijd van de zogenoemde 30%-regeling voor inkomende extraterritoriale werknemers wordt per 1 januari 2019 ingekort van acht tot vijf jaar. De looptijdverkorting werkt door naar de mogelijkheid om te opteren voor partiële buitenlandse belastingplicht in de inkomstenbelasting.

Aanleiding voor de wetswijziging is dat uit een evaluatie van de 30%-regeling bleek, dat deze door circa 80% van de gebruikers niet langer dan vijf jaar werd toegepast. De wetswijziging is ook van toepassing op bestaande gevallen. Dit betekent dat werknemers die een beschikking hebben ontvangen met een einddatum tussen 1 januari 2019 en 1 januari 2022, de 30%-regeling vanaf eerstgenoemde datum niet meer kunnen toepassen. Voor afgegeven beschikkingen met een einddatum na 1 januari 2022 wordt de looptijd feitelijk met drie jaar ingekort. Voor schoolgelden betaald aan internationale scholen is een overgangsregeling getroffen.

Forfaitaire bijtelling ter beschikking gestelde fiets van de zaak

Het gebruik van de fiets voor woon-werkverkeer wordt gestimuleerd door vanaf 1 januari 2020 de waarde van het privévoordeel van de fiets van de zaak vast te stellen met behulp van een forfait. De fiscale bijtelling wordt gesteld op 7% van de consumentenadviesprijs.

Verhogen maxima vrijwilligersregeling loonbelasting

Op dit moment kunnen vrijwilligers een vergoeding van ten hoogste € 150 per maand (tot een maximum van € 1.500 per jaar) ontvangen zonder dat hierover loonheffingen verschuldigd zijn. Het kabinet stelt voor om deze bedragen per 1 januari 2019 te verhogen tot respectievelijk € 170 per maand en € 1.700 per jaar.

Heffingskorting buitenlands belastingplichtigen

In het Belastingplan 2018 is geregeld dat in de loonbelasting vanaf 2019 alleen nog het belastingdeel van de heffingskortingen wordt toegepast waarop niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen uit het betreffende land in de inkomstenbelasting recht hebben. Dit betekent dat kwalificerende buitenlands belastingplichtigen hun aanspraak op het belastingdeel van de niet-arbeidsgerelateerde heffingskortingen in de inkomstenbelasting geldend zullen moeten maken.
Om de wetgeving in overeenstemming met het EU-recht te brengen stelt het kabinet voor om vast te leggen dat niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen die inwoner zijn van een EU/EER-lidstaat in voorkomende gevallen steeds recht hebben op het belastingdeel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting in de inkomstenbelasting.

Verhoging lage btw-tarief

Het lage tarief in de btw wordt per 1 januari 2019 verhoogd van 6% naar 9%. Dit heeft als gevolg dat onder andere boodschappen, consumpties, geneesmiddelen en boeken duurder worden. Volgens het kabinet is dit noodzakelijk omdat een belasting op consumptie, zoals de omzetbelasting, de keuzes van de burgers minder verstoort dan een belasting op arbeid. Het kabinet verwacht beperkte grenseffecten aangezien in de omringende landen de prijzen voor voedingsmiddelen over het algemeen hoger liggen dan in Nederland.

Het kabinet geeft aan dat geen aanvullende wetgeving wordt opgenomen voor overgangssituaties. Wanneer vóór 1 januari 2019 betaling plaatsvindt voor een prestatie die pas in 2019 wordt verricht, hoeft geen correctie naar het nieuwe lage btw-tarief van 9% plaats te vinden.

Herziening kleineondernemersregeling btw

Het kabinet stelt een modernisering van de kleineondernemersregeling (KOR) voor. Momenteel geldt deze regeling enkel voor natuurlijke personen. Het wetsvoorstel voorziet in vervanging van de huidige KOR door een facultatieve omzetgerelateerde vrijstellingsregeling van omzetbelasting. De omzetdrempel bedraagt € 20.000 per kalenderjaar. Het beoogde doel is te komen tot een eenvoudiger uitvoerbare regeling voor kleine ondernemers, ongeacht hun rechtsvorm en vermindering van uitvoeringskosten voor de Belastingdienst.

Alle ondernemers die de omzetdrempel niet overschrijden kunnen onder de vrijstelling vallen. Wanneer zij hiervoor opteren, zijn zij ontheven van het doen van btw-aangifte en de daarbij behorende administratieve verplichtingen met betrekking tot door hen verrichte goederenleveringen en diensten in Nederland. Verlegde btw en btw verschuldigd wegens intracommunautaire verwervingen moeten de kleine ondernemers nog wel aangeven.

Organisaties die de vrijstelling willen toepassen, dienen uiterlijk vier weken voorafgaand aan het belastingtijdvak waarvoor de vrijstelling geldt, hierom te verzoeken bij de inspecteur. Omdat door toepassing van de vrijstelling geen recht meer op aftrek van voorbelasting bestaat, kan het voor belastingplichtigen interessant zijn om de reguliere btw-regels toe te blijven passen, met name wanneer hun afnemers de btw die zij in rekening brengen in aftrek kunnen brengen.

Dividendbelasting

Deze belasting van 15% over uitgekeerd dividend zou worden afgeschaft, maar dit wetsvoorstel lijkt alsnog ingetrokken te gaan worden.

Tariefverlaging vennootschapsbelasting

Om een concurrerend vestigingsklimaat te kunnen behouden, wil het kabinet vanaf 2019 een forse stapsgewijze verlaging van de vennootschapsbelastingtarieven doorvoeren in zowel de eerste schijf (tot € 200.000) als de tweede schrijf (vanaf € 200.000). In 2019 worden de tarieven verlaagd naar 19% (eerste schrijf) en 24,3% (tweede schijf). Voor het jaar 2020 worden de tarieven verder verlaagd naar respectievelijk 17,5% en 23,9%. In 2021 bedraagt het tarief tot een belastbaar bedrag van € 200.000 volgens het voorstel 16%. Over het surplus is dan 22,25% verschuldigd. De tariefverlaging valt uiteindelijk dus beperkter uit dan in het regeerakkoord was voorzien, hetgeen wordt veroorzaakt door de hogere kosten van de eerst nog voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting. Daarin werd nog gerept van een toptarief van 21%. Hieronder hebben wij de voorgestelde tariefwijzigingen in tabelvorm samengevat (cijfers 2018 zijn ter vergelijking).

Jaar
2018
2019
2020
2021

Belastbaar bedrag
tot € 200.000

20%

19%

17,5%

16%

Belastbaar bedrag
vanaf € 200.000

25%

24,3%

23,9%

22,25%

Vastgoedbeleggingen fbi’s

Indien de activiteiten van een vennootschapsbelastingplichtig lichaam bestaan uit beleggen, is het onder voorwaarden mogelijk om te opteren voor het regime van de fiscale beleggingsinstelling (fbi). De fiscale resultaten van een fbi zijn onderworpen aan een nultarief. Directe beleggingen in Nederlands vastgoed door fbi’s zullen, als het aan het kabinet ligt, vanaf 2020 niet langer worden toegestaan. Deze voorgestelde wetswijziging houdt verband met de afschaffing van de dividendbelasting. Op dit moment wordt voor buitenlandse beleggers in een fbi die beleggen in Nederlands vastgoed via de dividendbelasting de belastingheffing over de resultaten uit het vastgoed geëffectueerd. Zonder de maatregel zou Nederland in geval van buitenlandse beleggers in fbi’s geen belasting kunnen heffen over resultaten uit in Nederland gelegen vastgoed. Als de afschaffing van de dividendbelasting alsnog niet doorgaat, is het de vraag of deze maatregel ook nog wordt teruggedraaid.

De wijziging ziet alleen op direct gehouden binnenlands vastgoed. Een fbi behoudt derhalve de mogelijkheid om direct te beleggen in buitenlands vastgoed. Verder blijft het mogelijk om indirect, door middel van het houden van aandelen in regulier belaste vastgoedbeleggingsdochter, in Nederlands vastgoed te beleggen.

Voorwaartse verliesverrekening vennootschapsbelasting

De mogelijkheid om verliezen uit voorgaande (boek)jaren te verrekenen met positieve belastbare winsten uit latere jaren wordt beperkt tot zes jaar. Op dit moment kunnen verliezen nog gedurende negen jaren voorwaarts verrekend worden. De versobering in de voorwaartse verliesverrekening in de vennootschapsbelasting zal voor het eerst gelden voor verliezen geleden in 2019. Verliezen geleden in 2019 kunnen aldus tot en met 2025 worden verrekend. Voor verliezen geleden tot en met 2018 blijft de negenjaartermijn geleden. Een in 2018 geleden verlies is dus verrekenbaar met winsten tot en met uiterlijk 2027.

Verminderen verhuurderheffing voor verduurzaming van huurwoningen

Verhuurders die verhuurderheffing verschuldigd zijn, worden als het aan het kabinet ligt beloond voor het realiseren van verbetering in de energieprestatie van bestaande huurwoningen. Op grond van de voorgestelde maatregel kunnen zij onder voorwaarden in aanmerking komen voor heffingsvermindering. Om in aanmerking te kunnen komen voor de heffingsvermindering dient te woning met minimaal drie Energie-Indexklassen te worden verbeterd. Daarnaast dient na renovatie een Energie-Index van maximaal 1,4 (label B of beter) te resulteren.

Tarief verhuurderheffing

Het tarief van de verhuurderheffing zal met 0,03%-punt worden verlaagd. Achtergrond hiervan zijn de toegenomen fiscale lasten van woningcorporaties alsmede de woningmarktambities van het kabinet.

Vond u dit nuttig?